Discriminatie

 

 

 

 

Het sinds een paar jaar in september terugkerende onderwerp ‘Zwarte Piet’ ligt (gelukkig) alweer een poosje achter ons. Dat het onderwerp nog niet tot een volledige consensus voor alle partijen is gekomen, mag duidelijk zijn en zal de discussie waarschijnlijk aanstaande september door de eerste pepernoten in de schappen weer opbloeien. Toch bevreemd mij deze discussie en tijdens de reis word ik telkens daaraan herinnerd. Discriminatie, waar dient het toe en sterker nog: waar leidt het toe?
Hoe zuidelijker we met Isabella de landen verkennen, hoe donkerder de mensen worden. Dat begint al in Spanje. De invloeden van Afrikaanse landen op de Portugese bevolking worden daar nog duidelijker. Langzaamaan verandert dan ook de cultuur en het tempo van het dagelijkse leven, en dat is mooi om te zien en te ervaren. Mensen leven meer op straat en de familiebanden lijken steviger dan bij ons, de blanke Noord-Europeanen. Je ziet mannen en vrouwen elkaar de hand schudden en omarmen, ja een enkele keer zelfs met de vingertoppen een kruisje slaan om hiermee direct daarna de lippen aan te raken.
Het was op Kaapverdië waar ik door een Kaapverdiaan met een donkere huid voor de eerste keer geconfronteerd werd met een discriminerende opmerking over een medemens met ook een donkere huid. Hij adviseerde ons niet naar een bepaald eiland te gaan, omdat daar geen betrouwbare mensen wonen. “Black people, much different like us”, zei hij. Ik vroeg me af waarom hij dit zo nadrukkelijk uitsprak en beeldde me in dat er niet zoveel verschil zou zijn tussen zijn huidskleur en die van de mensen op dat andere eiland.

 

Het gesprek was inmiddels al bij een volgend onderwerp en dus liet ik mijn bedenkingen bij de opmerking maar voor wat het was: een opmerking.
En dan was er de gids die verklaarde dat heel vroeger op het eiland alleen maar blanke mensen woonden en dat door de invloed van de slavernij hij nu een donkere huidskleur had. Anders zou hij ook blank zijn geweest. Alweer verbaasde ik me: was dit een excuus? Dat is toch onzin? Wat maakt het uit welke huidskleur je hebt?

 

We voeren naar andere eilanden en de mensen werden donkerder van huidskleur en ook kleiner. Ik voelde me een echte bleekscheet en besefte dat ik vanwege mijn huidskleur en lengte voor de plaatselijke bevolking een opvallend figuur moest zijn. Ik vond het dan ook grappig dat sommige vrouwen, met een lengte van ongeveer 150cm, mij met enige verbazing aankeken en dan mompelend voorbij liepen. Ja, zelfs een stap opzij zetten. Ik speek de taal niet, maar kon er wel uit begrijpen dat ze mij toch wel erg ‘Huge’ vonden. En gelijk hebben ze. Tegelijkertijd besefte ik me hoe het voor de mensen met een donkere huidskleur moet zijn in een land met overwegend ‘bleekscheten’: je voelt je anders. Je voelt je een uitzondering, een buitenstaander en dat is toch niet wat je wil. Je wilt aansluiting en één van ‘hen’ zijn. Ook al is het maar voor even.

 

 

Een vriendelijk woord, altijd beleefd blijven, mensen aankijken en op tijd weer de andere kant opkijken, zijn sleutelbegrippen voor een mooi contact met mensen uit ‘den vreemden’. En dat contact wil ik graag en zoek ik ook op. Ik zag mijn kans schoon toen bleek dat niemand van onze groep naast de chauffeur van het busje ging zitten. De stoel bleef leeg, terwijl je daar achter die voorruit toch het mooiste plekje van de bus hebt en belangrijker nog: contact met een bewoner van het eiland! Snel vroeg ik dan ook of iemand interesse had om naast de bestuurder te zitten.

 

 

De stoel naast de chauffeur werd deze dag voor mij en kreeg ik gedurende de dag een schat aan informatie over het eiland en de bevolking. Een paar dagen later was ik op weg naar de supermarkt en iemand riep mijn naam. Het was de chauffeur. Hij stak zijn hand toe, vroeg hoe het ging en wenste mij nog een mooie dag. Hoe mooi kan het contact tussen verschillende type huidkleuren zijn, tussen mensen zijn!! Als je maar interesse in de ander hebt en daar heb je de ‘Zwarte-Piet’ discussie niet voor nodig.

 

 

 

Blauwe en Roze Taken

Opgewekt steken we met z’n drieën de drukke rijbaan over. Behalve dat ik de supermarkt heb geplunderd, wil ik nog meer ‘producten’ scoren. Ik wil namelijk weten hoe aan boord van andere zeilschepen de taken zijn verdeeld. ’Kun je ook zeilen?’, vraag ik aan Tina. ‘Nee, ik kan niet zeilen en dat wil ik ook niet. Ik kan weer andere dingen!’, zegt ze lachend en ik bespeur zelfs een beetje trots. Ik geloof mijn oren niet en mijn mond valt open van verbazing. ‘Kun je echt niet zeilen??’, vraag ik nog eens.
‘Nee, je hebt roze taken en je hebt blauwe taken. Ik doe alleen de roze taken’, verklaart Tina stoer.
‘We hebben de taken gewoon verdeeld en we voelen ons daar goed bij. Ik regel alles wat met proviand en voorraad te maken heeft plus de andere huishoudelijke taken. Joep gaat natuurlijk wel mee om die zware boodschappentassen te dragen, want dat lukt mij niet alleen’. Niets in haar resolute houding doet mij twijfelen aan wat ze beweert. ‘O-ja, ik zet ook de routes uit op de plotter’, vertelt ze vrolijk door.

 

Joep loopt met de opgetopte boodschappentas naast me en ik kijk hem onderzoekend aan, op zoek naar bevestiging van wat Tina zojuist beweerde. ‘En jij?’, vraag ik aan Joep. ‘Ik kan wel zeilen’, grapt Joep met een brede smile op zijn gezicht. Ik schiet in de lach. Die droge humor van Joep vind ik zo leuk! Maar ik wil eigenlijk weten of hij het niet jammer vindt dat Tina niet kan zeilen. Je zeilt tenslotte toch samen op je schip en bovendien zijn ze van plan om de wereld te omzeilen. Dat houdt ook in dat je moet wacht lopen en dus alleen in de kuip zit en het schip moet besturen. ‘Hoe gaat dit dan als Tina niet kan zeilen en toch de wacht gaat lopen?’, vraag ik me af en stel de vraag aan Joep.
‘Ach, gewoon, we helpen elkaar en dat gaat heel goed hoor!’, antwoordt hij en pakt met zijn andere hand de de zware boodschappentas over.
‘Joep houdt zich bezig met de taken die met de boot te maken hebben. Dus zeilen en de technische dingen en zo’, verklaart Tina verder.
‘En wat als hij je hulp nodig heeft? Wat doe je dan op het moment dat jij met je handen in het gehakt staat te roeren?’, vraag ik door. ‘Dat hangt er natuurlijk van af of het dringend is, maar in principe help ik wel direct en moet het gehakt even wachten’.
Niets lijkt Tina vreemd in de samenwerking tussen man en vrouw aan boord. Ze zijn ook al zo lang samen en het loopt allemaal soepeltjes en gesmeerd, zolang de codes ‘blauw en roze’ maar worden gerespecteerd.
Ik kan me wel iets voorstellen bij deze uitdrukking. Hans is erg ‘blauw’ en laat de roze taken aan mij over, terwijl ik niet afwerend tegenover ‘blauwe taken’ sta en elke dag mijn roze taken zonder morren op me neem.

Ik vraag me af hoe Hans en ik het stadium van Joep en Tina gaan bereiken en wat we daar voor nodig hebben. Is dat ook minstens tien jaar? Want dan hebben we nog eventjes te gaan! Er zal flink gecommuniceerd moeten worden. Of is dit een tė roze houding van mij? Die blauwe Hans van mij houdt immers meer van ‘denken en doen’ en niet teveel kletsen. Het lijkt alsof Joep mijn gedachten leest en geeft me een bemoedigende klop op mijn schouder. ‘Komt allemaal goed. Maak je geen zorgen’, zegt hij.

 

 

“Schat, morgen ga je de mast in, oké? Denk je dat het lukt?”, zegt Hans. Bij deze typisch blauwe taak vraagt Hans altijd om mijn hulp. De windmeter heeft het begeven en er zal op het topje van de mast een nieuwe geplaatst moeten worden. Ik zeg niet direct ‘Ja, oké’. In plaats daarvan gaan mijn gedachten terug naar een ver verleden waar het onderwerp ‘Blauwe- en Roze taken’ nog niet ter discussie stond, omdat man en vrouw automatisch hun ‘eigen kleur’ oppakten. Het was de tijd waarin vrouwen, eenmaal getrouwd, hun BBB (betaalde-baan-buitenshuis) vaarwel moesten zeggen. Vanaf dat moment was je huisvrouw, hield je bij je echtgenoot je hand op om de boodschappen te kunnen betalen, kocht je het vlees wat hij lekker vond en vervulde je alleen nog roze taken. De tijd van de huiskamers met het eikenhouten bankstel wat een leven lang mee zou gaan met tegen de muur de bijpassende buffetkast. Langzaam is die tijd opgelost en zijn de (huishoudelijke) taken verdeeld. De ‘Purperen-tijd’ brak aan. Maar hoe was het in die tijd aan boord van schepen? Oké, we kennen de uitspraak ‘Een vrouw en een kip zijn de pest voor het schip’. Maar is dit werkelijk zo? Kunnen die stoere blauwe mannen wel alle roze taken goed uitvoeren? En met ‘goed’ bedoel ik: volgens de maatstaven van een vrouw? Hmmm… sommigen misschien. En de zeilende vrouwen? Liggen die met hun lijf onder het motorblok van een zeilschip? Vast ook wel een aantal. Voor het merendeel zullen aan boord van zeilschepen de blauwe en roze taken toch wel op het bordje van de ‘kleur-eigenaar’ terecht komen.
Hans herhaalt nog maar eens zijn vraag: ‘Morgen de mast in?’. Ja-ja, knik ik. Aan de ene kant voel ik me de stoere zeilersvrouw die zonder schromen naar 18 meter hoogte wordt gehesen. Het vrouwelijk wezen dat dit klusje met gemak zal klaren. Geen hoogtevrees, beetje handig met schroevendraaier en kroonsteentjes. Ik vertel Hans over het gesprek met Tina en Joep. ‘Ach schat, het gaat toch goed zoals wij het doen?’, zegt hij. ‘Maak je niet druk! Zal ik afwassen?’ ‘Nee dat doe ik liever zelf’, zeg ik snel, ‘Dat is echt een roze taak. Zet jij het vuil maar alvast in de dinghy!’, voeg ik er lachend achteraan.

 

 

De volgende dag werk ik aan mijn blauwe klus hoog in de mast en geniet vooral van het fabelachtige uitzicht!! Hans weet niet wat hij mist!

 

 

St. Vincent

 

Natuurlijk hebben we van alles gelezen over piraterij en de gebieden bestudeerd waar dit veel voorkomt. De gebieden liggen mijlen ver van ons vandaan; aan de oostkust van Afrika bij Somalië, in de Arabische zee en hier en daar een melding van onrust, zoals bij Venezuela. Elke zeiler, elke zee-ganger, wil piratenrij ontlopen en doet hiervoor zijn best. Driewerf hoezee dan ook voor degene die piratenrij bestrijden! Isabella zeilt in de Caribische zee en dat klinkt toch een stuk veiliger! Maar of het zo veilig is, vragen een aantal zeilers zich toch wel af. Verhalen gaan van scheepje naar scheepje en zoals we weten, verliest elk verhaal zijn oorspronkelijke ‘tekst’, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee: dat zijn wij dus.

We naderen het veelbelovende St. Vincent. Veelbelovend in de zin van “Het aller prachtigste eiland van de Carieb”. Watervallen in het midden van het regenwoud! We zijn benieuwd! We varen langs de lieflijke kust met palmbomen en wit strand met weinig of geen toerisme en willen ankeren in Cumberlanddbay.

 

 

Al voordat we goed en wel bij de kust de gezochte vijf meter diepte om te ankeren hebben gevonden, komt het eerste vissersbootje ons al tegemoet. Met een vriendelijke welkomstgroet bereikt de visser Isabella en roept: “Hello!! How are you today?” “Fine! And how is your day?”, roept Hans terug. De zinnetjes die we op elke nieuwe plaats waar ‘Boatboy’s’ zijn, uitwisselen. Namen worden uitgewisseld en krijgen we van Wesley ‘het beste ankerplekje dat er is’ toegewezen. Met een landvast legt hij Isabella vast aan een palmboom. Daarna daalt het anker in de blauwe zee naar de diepte.

 

Wesley blijkt een aardige man en Hans knoopt een praatje met hem aan. Het is niet onopgemerkt gebleven dat we voor anker liggen. Nog voordat Hans met Wesley is uitgesproken, ‘plakt’ een tweede bootje met twee boatboy’s zich tegen Isabella aan. Samen roepen ze op een dreigende manier naar Hans dat hij vooral naar hen moet luisteren en hun waar moet kopen. Hun ogen verraden de vechtlust die in de lijven schuilt. Hans waarschuwt mij dat ik beneden in de salon moet blijven en me niet meer in de kuip mag laten zien. Duidelijk en beslist wijst Hans de mannen terecht en keert zijn rug naar hen toe. Ze wagen nog één keer een kansje, maar vangen bot. Uiteindelijk druipen ze af, maar worden al snel door andere boatboy’s afgelost die om beurten ook hun koopwaar aan ons opdringen. Bananen, vis, veel te kleine mango’s of kettinkjes met glimmende kralen met bijpassende armbanden. In minder dan twee uur tijd hebben zich elf bootjes aan de reling van Isabella gemeld. We zijn het geleur meer dan beu en hebben zin om ons te verstoppen, maar dat is onmogelijk. We proeven een onaangename sfeer. Dreigend ook, vanuit een ‘toeristen zijn niet welkom’-idee.

Zullen we het anker weer ophalen en doorvaren? De tijd houdt ons tegen. Het is tegen vijf uur en al over een uur gaat de zon onder. We zien het niet zo zitten om in het donker naar een andere ankerplaats te zoeken en al helemaal niet op St. Vincent. Een volgend eiland betekent een nacht doorvaren… We houden het bij ons eerste plan: naar de wal met de dinghy en daar in een strandtentje gaan eten. Maar ja… wat als de dinghy wordt gestolen? Zullen we dan de motor er maar afhalen? En we moeten vooral het heklicht aanlaten, zodat we vanaf de wal Isabella in de gaten kunnen houden. Isabella gaat op slot en we roeien naar de wal.

Het restaurantje is spaarzaam verlicht, maar de bediening is vriendelijk. Ook de eigenaar is een aardige man die ons welkom heet en na een praatje met Hans zich verder niet aan ons opdringt. Dat geeft weer wat hoop. We kiezen een tafeltje waarbij het zicht op Isabella door niets wordt belemmerd en schuiven onze stoelen naast elkaar, zodat we Isabella in de gaten kunnen houden. In het donker zien we haar verlichte spiegel. Daar ligt ze als laatste scheepje in een rij van vier met onze ogen onafgebroken op haar gericht. Zodra de friet, het hoopje sla en de serloin steak in onze magen zijn gedaald, rekenen we af en roeien weer terug naar Isabella. Die nacht zijn we extra alert op elk geluidje en doen bijna geen oog dicht.

Nog voor het eerste bootje zich de volgende ochtend weer aan de reling komt melden en zonder dat we St. Vincent hebben verkend, zijn we al vertrokken.
“Wat vertelde die restauranteigenaar nou gisteren tegen jou?”, vraag ik aan Hans tijdens het ontbijt op zee.
“Nou… weet je wat er precies is gebeurd?”, begint Hans, “En dat is dus een heel ander verhaal dan we hebben gehoord. Vorig jaar is er een Duitse zeiler aan boord door drie locals overvallen. De Duitser heeft één van de overvallers gegrepen en zijn nek omgedraaid. De andere twee zijn gevlucht. De rechtbank heeft hem vrijgesproken: zelfverdediging!”
“Echt waar? Dus niet die zeiler maar de overvaller heeft het niet overleefd?”, vraag ik vol verbazing.
“Juist. En weet je wat die restauranteigenaar zei? Dat hij het niet met de uitspraak eens was. Die Duitser had gestraft moeten worden. Hoe vind je dat?!”
Ik ril. De opnames van de films ‘Pirates of the Caribbean’ op Dominica, St. Vincent etc. hebben hier een prachtig decor gevonden, maar wat een eiland! Wat een volkje! Waar armoede al niet toe leidt! Er bestaan toch een soort van piraten. Jakkes!
We zetten koers naar Bequia. Wat zullen we daar beleven?

 

 

St. Lucia

 

St. Lucia was op 19 januari het eerste stukje aarde dat we na 18 dagen Atlantische oceaan in het vizier kregen. Een prachtig eiland waarvan we direct al wisten dat we het op ons retour naar het zuiden, beslist nog eens zouden aandoen. Nu is het zo ver…

We nemen een mooring bij Soufrière (St. Lucia) en gaan aan wal om de benen weer eens te strekken. Zonder het te weten hebben we een lange wandeltocht voor de boeg waarbij volgens Hans er nooit een “Het-heetst-van-de-dag-moment” is, als ik weer eens zuchtend en steunend de 30% steile helling beklim en mopper dat we beter morgens kunnen wandelen in plaats van pal op de middag. Hans is allang niet meer te bekennen en hier loop ik dan helemaal in m’n uppie langs de tweebaansweg. Er stop een auto en een afgezand van familie zombie krast wat vriendelijke engelstalige woorden en met zijn verschrompelde lippen tovert hij een glimlach op zijn gezicht. Ik begrijp eruit dat hij mij een lift wil geven. Ik bedank hem vriendelijk en schuifel door, mijn camera in mijn rechter hand en links het pet-flesje water. Zo eentje waar de oceaan en de bermen op Montserrat vol van liggen. Zombie kijkt me niet begrijpend aan en trekt zijn vehikel op in de eerste versnelling, een dikke rookpluim achterlatend.

 

 

 

 

Ik voel me een oude dieselmotor wanneer ik merk dat de vermoeidheid in mijn benen wegebt en ik mijn snelheid verhoog. Daar is Hans alweer. Hij zit op een grote kei en geniet van het uitzicht. “Ha schat! Kom je ook even lekker zitten?”, vraagt hij. Zou hij weten dat ik er met een zombie vandoor had kunnen gaan? Of dat ik wel eens door zombie ontvoerd had kunnen worden? Maar ach nee, de mensen hier zijn super vriendelijk en je komt niet 1-2-3 van zo’n eiland af. Geen zorgen dus. Ik zoek naast Hans een glad stukje kei op en ga zuchtend zitten. Wat een klim! Zo om me heen kijkend bedenk ik me dat moeder aarde toch vreselijk mooi is! De spitse Deux Pitons zijn werkelijk schitterend zoals ze daar aan de kust uitkijken over de Caribische zee! Dit is een World Heritage Patrimonie Mondial gebied. Wat zou Trump van dit landschap vinden? Zou hij ooit wel eens naar dit soort plekjes zijn geweest? Vast niet. Dreinend aan moeders hand wist hij haar mee te sleuren naar die grote snoepwinkel in NY-city: met van die gekleurde bolle snoepjes die zich in een kastje verstoppen en later in een ‘bowl’ moeten jumpen en dat weigeren. M&M’s. Vieze dingen met een hoog gehalte aan smaak en kleurstoffen waar kinderen hyperactief van worden. De eigenaar van het snoep schreeuwt net zolang tot ze dan toch in de bowl vallen. Heeft mr. T. het daar van geleerd? Ach… een gedachtensprongetje, zoals ik er zovelen heb bij het zien van al die mooie landen.

 

 

Hans ruikt zwavel en ziet het bord dat de richting naar de vulkaan aanwijst. Ik ruik niets. Mijn neus is disfunctioneel, ook al zou je dat gezien het formaat niet zeggen 😉 . Het is nog minstens een uur sjokken tegen het bergje op, voordat ik iets in de richting van zwavel begin te ruiken. We zijn in het hol van de leeuw aangekomen: het hartje van de vulkaan. En wat voor een hart! Grote borrelende poelen met grijze dampende en omhoog spattende blubber! Wat een stank! Waar je op Costa Rica bij de vulkaan wordt gewaarschuwd voor de giftige dampen en je daar niet langer dan een half uur mag blijven, is hier op St. Lucia een wandelgebied door het hart van de vulkaan aangelegd en zelfs een bad!! Daarin kun je je insmeren en belooft de gids dat het je wel 10 jaar jonger maakt!! De verleiding is natuurlijk erg groot, maar ik zie er van af. Inhaleren maar mensen! We lopen door! En ongemerkt wordt het langer dan een half uur, want wat er te zien is, heeft zelfs Hans nog nooit eerder gezien. En dat betekent wat! Parkgidsen en -wachters staan de hele dag in deze dampen en ruiken de zwavel al niet meer. Gekscherend zegt een parkwachter dat hij pas merkt dat er ‘vulkaan onheil’ is, wanneer hij de toeristen hard ziet wegrennen.

 

 

hieronder link naar YouTube filmpje

https://www.youtube.com/watch?v=jUDz-UTvXEc

 

Na dit indrukwekkende schouwspel laven we ons met een heerlijk koud local biertje en een warme lunch, en gaan we voor internet naar een barretje. De terugweg naar Isabella is makkie: berg afwaarts 😉
“Gaan we nu wel of niet naar St. Vincent?”, vraag ik aan Hans.
“Je weet wat er over gezegd wordt…”, zegt hij. Tja, dan kun je net zo goed thuis blijven, denk ik. Natuurlijk is het fijn om allerlei goeie raadgevingen te krijgen en waarschuwingen. We zouden niet zonder willen! Maar je moet nu ook weer niet angst op je hals halen zonder eerst zelf je licht op te steken. Of het moeten zeer dreigende voorspellingen zijn…
We zijn nieuwsgierig en zoeken altijd toch naar onze kant van het verhaal. Wanneer Hans absoluut geen goed gevoel zou hebben om St. Vincent aan te doen, dan zou hij dat ook zeker niet doen. Twijfel is er zeker, maar we gaan toch! Op naar St. Vincent!

 

 

Translate »