Discriminatie

 

 

 

 

Het sinds een paar jaar in september terugkerende onderwerp ‘Zwarte Piet’ ligt (gelukkig) alweer een poosje achter ons. Dat het onderwerp nog niet tot een volledige consensus voor alle partijen is gekomen, mag duidelijk zijn en zal de discussie waarschijnlijk aanstaande september door de eerste pepernoten in de schappen weer opbloeien. Toch bevreemd mij deze discussie en tijdens de reis word ik telkens daaraan herinnerd. Discriminatie, waar dient het toe en sterker nog: waar leidt het toe?
Hoe zuidelijker we met Isabella de landen verkennen, hoe donkerder de mensen worden. Dat begint al in Spanje. De invloeden van Afrikaanse landen op de Portugese bevolking worden daar nog duidelijker. Langzaamaan verandert dan ook de cultuur en het tempo van het dagelijkse leven, en dat is mooi om te zien en te ervaren. Mensen leven meer op straat en de familiebanden lijken steviger dan bij ons, de blanke Noord-Europeanen. Je ziet mannen en vrouwen elkaar de hand schudden en omarmen, ja een enkele keer zelfs met de vingertoppen een kruisje slaan om hiermee direct daarna de lippen aan te raken.
Het was op Kaapverdië waar ik door een Kaapverdiaan met een donkere huid voor de eerste keer geconfronteerd werd met een discriminerende opmerking over een medemens met ook een donkere huid. Hij adviseerde ons niet naar een bepaald eiland te gaan, omdat daar geen betrouwbare mensen wonen. “Black people, much different like us”, zei hij. Ik vroeg me af waarom hij dit zo nadrukkelijk uitsprak en beeldde me in dat er niet zoveel verschil zou zijn tussen zijn huidskleur en die van de mensen op dat andere eiland.

 

Het gesprek was inmiddels al bij een volgend onderwerp en dus liet ik mijn bedenkingen bij de opmerking maar voor wat het was: een opmerking.
En dan was er de gids die verklaarde dat heel vroeger op het eiland alleen maar blanke mensen woonden en dat door de invloed van de slavernij hij nu een donkere huidskleur had. Anders zou hij ook blank zijn geweest. Alweer verbaasde ik me: was dit een excuus? Dat is toch onzin? Wat maakt het uit welke huidskleur je hebt?

 

We voeren naar andere eilanden en de mensen werden donkerder van huidskleur en ook kleiner. Ik voelde me een echte bleekscheet en besefte dat ik vanwege mijn huidskleur en lengte voor de plaatselijke bevolking een opvallend figuur moest zijn. Ik vond het dan ook grappig dat sommige vrouwen, met een lengte van ongeveer 150cm, mij met enige verbazing aankeken en dan mompelend voorbij liepen. Ja, zelfs een stap opzij zetten. Ik speek de taal niet, maar kon er wel uit begrijpen dat ze mij toch wel erg ‘Huge’ vonden. En gelijk hebben ze. Tegelijkertijd besefte ik me hoe het voor de mensen met een donkere huidskleur moet zijn in een land met overwegend ‘bleekscheten’: je voelt je anders. Je voelt je een uitzondering, een buitenstaander en dat is toch niet wat je wil. Je wilt aansluiting en één van ‘hen’ zijn. Ook al is het maar voor even.

 

 

Een vriendelijk woord, altijd beleefd blijven, mensen aankijken en op tijd weer de andere kant opkijken, zijn sleutelbegrippen voor een mooi contact met mensen uit ‘den vreemden’. En dat contact wil ik graag en zoek ik ook op. Ik zag mijn kans schoon toen bleek dat niemand van onze groep naast de chauffeur van het busje ging zitten. De stoel bleef leeg, terwijl je daar achter die voorruit toch het mooiste plekje van de bus hebt en belangrijker nog: contact met een bewoner van het eiland! Snel vroeg ik dan ook of iemand interesse had om naast de bestuurder te zitten.

 

 

De stoel naast de chauffeur werd deze dag voor mij en kreeg ik gedurende de dag een schat aan informatie over het eiland en de bevolking. Een paar dagen later was ik op weg naar de supermarkt en iemand riep mijn naam. Het was de chauffeur. Hij stak zijn hand toe, vroeg hoe het ging en wenste mij nog een mooie dag. Hoe mooi kan het contact tussen verschillende type huidkleuren zijn, tussen mensen zijn!! Als je maar interesse in de ander hebt en daar heb je de ‘Zwarte-Piet’ discussie niet voor nodig.

 

 

 

Blauwe en Roze Taken

Opgewekt steken we met z’n drieën de drukke rijbaan over. Behalve dat ik de supermarkt heb geplunderd, wil ik nog meer ‘producten’ scoren. Ik wil namelijk weten hoe aan boord van andere zeilschepen de taken zijn verdeeld. ’Kun je ook zeilen?’, vraag ik aan Tina. ‘Nee, ik kan niet zeilen en dat wil ik ook niet. Ik kan weer andere dingen!’, zegt ze lachend en ik bespeur zelfs een beetje trots. Ik geloof mijn oren niet en mijn mond valt open van verbazing. ‘Kun je echt niet zeilen??’, vraag ik nog eens.
‘Nee, je hebt roze taken en je hebt blauwe taken. Ik doe alleen de roze taken’, verklaart Tina stoer.
‘We hebben de taken gewoon verdeeld en we voelen ons daar goed bij. Ik regel alles wat met proviand en voorraad te maken heeft plus de andere huishoudelijke taken. Joep gaat natuurlijk wel mee om die zware boodschappentassen te dragen, want dat lukt mij niet alleen’. Niets in haar resolute houding doet mij twijfelen aan wat ze beweert. ‘O-ja, ik zet ook de routes uit op de plotter’, vertelt ze vrolijk door.

 

Joep loopt met de opgetopte boodschappentas naast me en ik kijk hem onderzoekend aan, op zoek naar bevestiging van wat Tina zojuist beweerde. ‘En jij?’, vraag ik aan Joep. ‘Ik kan wel zeilen’, grapt Joep met een brede smile op zijn gezicht. Ik schiet in de lach. Die droge humor van Joep vind ik zo leuk! Maar ik wil eigenlijk weten of hij het niet jammer vindt dat Tina niet kan zeilen. Je zeilt tenslotte toch samen op je schip en bovendien zijn ze van plan om de wereld te omzeilen. Dat houdt ook in dat je moet wacht lopen en dus alleen in de kuip zit en het schip moet besturen. ‘Hoe gaat dit dan als Tina niet kan zeilen en toch de wacht gaat lopen?’, vraag ik me af en stel de vraag aan Joep.
‘Ach, gewoon, we helpen elkaar en dat gaat heel goed hoor!’, antwoordt hij en pakt met zijn andere hand de de zware boodschappentas over.
‘Joep houdt zich bezig met de taken die met de boot te maken hebben. Dus zeilen en de technische dingen en zo’, verklaart Tina verder.
‘En wat als hij je hulp nodig heeft? Wat doe je dan op het moment dat jij met je handen in het gehakt staat te roeren?’, vraag ik door. ‘Dat hangt er natuurlijk van af of het dringend is, maar in principe help ik wel direct en moet het gehakt even wachten’.
Niets lijkt Tina vreemd in de samenwerking tussen man en vrouw aan boord. Ze zijn ook al zo lang samen en het loopt allemaal soepeltjes en gesmeerd, zolang de codes ‘blauw en roze’ maar worden gerespecteerd.
Ik kan me wel iets voorstellen bij deze uitdrukking. Hans is erg ‘blauw’ en laat de roze taken aan mij over, terwijl ik niet afwerend tegenover ‘blauwe taken’ sta en elke dag mijn roze taken zonder morren op me neem.

Ik vraag me af hoe Hans en ik het stadium van Joep en Tina gaan bereiken en wat we daar voor nodig hebben. Is dat ook minstens tien jaar? Want dan hebben we nog eventjes te gaan! Er zal flink gecommuniceerd moeten worden. Of is dit een tė roze houding van mij? Die blauwe Hans van mij houdt immers meer van ‘denken en doen’ en niet teveel kletsen. Het lijkt alsof Joep mijn gedachten leest en geeft me een bemoedigende klop op mijn schouder. ‘Komt allemaal goed. Maak je geen zorgen’, zegt hij.

 

 

“Schat, morgen ga je de mast in, oké? Denk je dat het lukt?”, zegt Hans. Bij deze typisch blauwe taak vraagt Hans altijd om mijn hulp. De windmeter heeft het begeven en er zal op het topje van de mast een nieuwe geplaatst moeten worden. Ik zeg niet direct ‘Ja, oké’. In plaats daarvan gaan mijn gedachten terug naar een ver verleden waar het onderwerp ‘Blauwe- en Roze taken’ nog niet ter discussie stond, omdat man en vrouw automatisch hun ‘eigen kleur’ oppakten. Het was de tijd waarin vrouwen, eenmaal getrouwd, hun BBB (betaalde-baan-buitenshuis) vaarwel moesten zeggen. Vanaf dat moment was je huisvrouw, hield je bij je echtgenoot je hand op om de boodschappen te kunnen betalen, kocht je het vlees wat hij lekker vond en vervulde je alleen nog roze taken. De tijd van de huiskamers met het eikenhouten bankstel wat een leven lang mee zou gaan met tegen de muur de bijpassende buffetkast. Langzaam is die tijd opgelost en zijn de (huishoudelijke) taken verdeeld. De ‘Purperen-tijd’ brak aan. Maar hoe was het in die tijd aan boord van schepen? Oké, we kennen de uitspraak ‘Een vrouw en een kip zijn de pest voor het schip’. Maar is dit werkelijk zo? Kunnen die stoere blauwe mannen wel alle roze taken goed uitvoeren? En met ‘goed’ bedoel ik: volgens de maatstaven van een vrouw? Hmmm… sommigen misschien. En de zeilende vrouwen? Liggen die met hun lijf onder het motorblok van een zeilschip? Vast ook wel een aantal. Voor het merendeel zullen aan boord van zeilschepen de blauwe en roze taken toch wel op het bordje van de ‘kleur-eigenaar’ terecht komen.
Hans herhaalt nog maar eens zijn vraag: ‘Morgen de mast in?’. Ja-ja, knik ik. Aan de ene kant voel ik me de stoere zeilersvrouw die zonder schromen naar 18 meter hoogte wordt gehesen. Het vrouwelijk wezen dat dit klusje met gemak zal klaren. Geen hoogtevrees, beetje handig met schroevendraaier en kroonsteentjes. Ik vertel Hans over het gesprek met Tina en Joep. ‘Ach schat, het gaat toch goed zoals wij het doen?’, zegt hij. ‘Maak je niet druk! Zal ik afwassen?’ ‘Nee dat doe ik liever zelf’, zeg ik snel, ‘Dat is echt een roze taak. Zet jij het vuil maar alvast in de dinghy!’, voeg ik er lachend achteraan.

 

 

De volgende dag werk ik aan mijn blauwe klus hoog in de mast en geniet vooral van het fabelachtige uitzicht!! Hans weet niet wat hij mist!

 

 

St. Vincent

 

Natuurlijk hebben we van alles gelezen over piraterij en de gebieden bestudeerd waar dit veel voorkomt. De gebieden liggen mijlen ver van ons vandaan; aan de oostkust van Afrika bij Somalië, in de Arabische zee en hier en daar een melding van onrust, zoals bij Venezuela. Elke zeiler, elke zee-ganger, wil piratenrij ontlopen en doet hiervoor zijn best. Driewerf hoezee dan ook voor degene die piratenrij bestrijden! Isabella zeilt in de Caribische zee en dat klinkt toch een stuk veiliger! Maar of het zo veilig is, vragen een aantal zeilers zich toch wel af. Verhalen gaan van scheepje naar scheepje en zoals we weten, verliest elk verhaal zijn oorspronkelijke ‘tekst’, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee: dat zijn wij dus.

We naderen het veelbelovende St. Vincent. Veelbelovend in de zin van “Het aller prachtigste eiland van de Carieb”. Watervallen in het midden van het regenwoud! We zijn benieuwd! We varen langs de lieflijke kust met palmbomen en wit strand met weinig of geen toerisme en willen ankeren in Cumberlanddbay.

 

 

Al voordat we goed en wel bij de kust de gezochte vijf meter diepte om te ankeren hebben gevonden, komt het eerste vissersbootje ons al tegemoet. Met een vriendelijke welkomstgroet bereikt de visser Isabella en roept: “Hello!! How are you today?” “Fine! And how is your day?”, roept Hans terug. De zinnetjes die we op elke nieuwe plaats waar ‘Boatboy’s’ zijn, uitwisselen. Namen worden uitgewisseld en krijgen we van Wesley ‘het beste ankerplekje dat er is’ toegewezen. Met een landvast legt hij Isabella vast aan een palmboom. Daarna daalt het anker in de blauwe zee naar de diepte.

 

Wesley blijkt een aardige man en Hans knoopt een praatje met hem aan. Het is niet onopgemerkt gebleven dat we voor anker liggen. Nog voordat Hans met Wesley is uitgesproken, ‘plakt’ een tweede bootje met twee boatboy’s zich tegen Isabella aan. Samen roepen ze op een dreigende manier naar Hans dat hij vooral naar hen moet luisteren en hun waar moet kopen. Hun ogen verraden de vechtlust die in de lijven schuilt. Hans waarschuwt mij dat ik beneden in de salon moet blijven en me niet meer in de kuip mag laten zien. Duidelijk en beslist wijst Hans de mannen terecht en keert zijn rug naar hen toe. Ze wagen nog één keer een kansje, maar vangen bot. Uiteindelijk druipen ze af, maar worden al snel door andere boatboy’s afgelost die om beurten ook hun koopwaar aan ons opdringen. Bananen, vis, veel te kleine mango’s of kettinkjes met glimmende kralen met bijpassende armbanden. In minder dan twee uur tijd hebben zich elf bootjes aan de reling van Isabella gemeld. We zijn het geleur meer dan beu en hebben zin om ons te verstoppen, maar dat is onmogelijk. We proeven een onaangename sfeer. Dreigend ook, vanuit een ‘toeristen zijn niet welkom’-idee.

Zullen we het anker weer ophalen en doorvaren? De tijd houdt ons tegen. Het is tegen vijf uur en al over een uur gaat de zon onder. We zien het niet zo zitten om in het donker naar een andere ankerplaats te zoeken en al helemaal niet op St. Vincent. Een volgend eiland betekent een nacht doorvaren… We houden het bij ons eerste plan: naar de wal met de dinghy en daar in een strandtentje gaan eten. Maar ja… wat als de dinghy wordt gestolen? Zullen we dan de motor er maar afhalen? En we moeten vooral het heklicht aanlaten, zodat we vanaf de wal Isabella in de gaten kunnen houden. Isabella gaat op slot en we roeien naar de wal.

Het restaurantje is spaarzaam verlicht, maar de bediening is vriendelijk. Ook de eigenaar is een aardige man die ons welkom heet en na een praatje met Hans zich verder niet aan ons opdringt. Dat geeft weer wat hoop. We kiezen een tafeltje waarbij het zicht op Isabella door niets wordt belemmerd en schuiven onze stoelen naast elkaar, zodat we Isabella in de gaten kunnen houden. In het donker zien we haar verlichte spiegel. Daar ligt ze als laatste scheepje in een rij van vier met onze ogen onafgebroken op haar gericht. Zodra de friet, het hoopje sla en de serloin steak in onze magen zijn gedaald, rekenen we af en roeien weer terug naar Isabella. Die nacht zijn we extra alert op elk geluidje en doen bijna geen oog dicht.

Nog voor het eerste bootje zich de volgende ochtend weer aan de reling komt melden en zonder dat we St. Vincent hebben verkend, zijn we al vertrokken.
“Wat vertelde die restauranteigenaar nou gisteren tegen jou?”, vraag ik aan Hans tijdens het ontbijt op zee.
“Nou… weet je wat er precies is gebeurd?”, begint Hans, “En dat is dus een heel ander verhaal dan we hebben gehoord. Vorig jaar is er een Duitse zeiler aan boord door drie locals overvallen. De Duitser heeft één van de overvallers gegrepen en zijn nek omgedraaid. De andere twee zijn gevlucht. De rechtbank heeft hem vrijgesproken: zelfverdediging!”
“Echt waar? Dus niet die zeiler maar de overvaller heeft het niet overleefd?”, vraag ik vol verbazing.
“Juist. En weet je wat die restauranteigenaar zei? Dat hij het niet met de uitspraak eens was. Die Duitser had gestraft moeten worden. Hoe vind je dat?!”
Ik ril. De opnames van de films ‘Pirates of the Caribbean’ op Dominica, St. Vincent etc. hebben hier een prachtig decor gevonden, maar wat een eiland! Wat een volkje! Waar armoede al niet toe leidt! Er bestaan toch een soort van piraten. Jakkes!
We zetten koers naar Bequia. Wat zullen we daar beleven?

 

 

St. Lucia

 

St. Lucia was op 19 januari het eerste stukje aarde dat we na 18 dagen Atlantische oceaan in het vizier kregen. Een prachtig eiland waarvan we direct al wisten dat we het op ons retour naar het zuiden, beslist nog eens zouden aandoen. Nu is het zo ver…

We nemen een mooring bij Soufrière (St. Lucia) en gaan aan wal om de benen weer eens te strekken. Zonder het te weten hebben we een lange wandeltocht voor de boeg waarbij volgens Hans er nooit een “Het-heetst-van-de-dag-moment” is, als ik weer eens zuchtend en steunend de 30% steile helling beklim en mopper dat we beter morgens kunnen wandelen in plaats van pal op de middag. Hans is allang niet meer te bekennen en hier loop ik dan helemaal in m’n uppie langs de tweebaansweg. Er stop een auto en een afgezand van familie zombie krast wat vriendelijke engelstalige woorden en met zijn verschrompelde lippen tovert hij een glimlach op zijn gezicht. Ik begrijp eruit dat hij mij een lift wil geven. Ik bedank hem vriendelijk en schuifel door, mijn camera in mijn rechter hand en links het pet-flesje water. Zo eentje waar de oceaan en de bermen op Montserrat vol van liggen. Zombie kijkt me niet begrijpend aan en trekt zijn vehikel op in de eerste versnelling, een dikke rookpluim achterlatend.

 

 

 

 

Ik voel me een oude dieselmotor wanneer ik merk dat de vermoeidheid in mijn benen wegebt en ik mijn snelheid verhoog. Daar is Hans alweer. Hij zit op een grote kei en geniet van het uitzicht. “Ha schat! Kom je ook even lekker zitten?”, vraagt hij. Zou hij weten dat ik er met een zombie vandoor had kunnen gaan? Of dat ik wel eens door zombie ontvoerd had kunnen worden? Maar ach nee, de mensen hier zijn super vriendelijk en je komt niet 1-2-3 van zo’n eiland af. Geen zorgen dus. Ik zoek naast Hans een glad stukje kei op en ga zuchtend zitten. Wat een klim! Zo om me heen kijkend bedenk ik me dat moeder aarde toch vreselijk mooi is! De spitse Deux Pitons zijn werkelijk schitterend zoals ze daar aan de kust uitkijken over de Caribische zee! Dit is een World Heritage Patrimonie Mondial gebied. Wat zou Trump van dit landschap vinden? Zou hij ooit wel eens naar dit soort plekjes zijn geweest? Vast niet. Dreinend aan moeders hand wist hij haar mee te sleuren naar die grote snoepwinkel in NY-city: met van die gekleurde bolle snoepjes die zich in een kastje verstoppen en later in een ‘bowl’ moeten jumpen en dat weigeren. M&M’s. Vieze dingen met een hoog gehalte aan smaak en kleurstoffen waar kinderen hyperactief van worden. De eigenaar van het snoep schreeuwt net zolang tot ze dan toch in de bowl vallen. Heeft mr. T. het daar van geleerd? Ach… een gedachtensprongetje, zoals ik er zovelen heb bij het zien van al die mooie landen.

 

 

Hans ruikt zwavel en ziet het bord dat de richting naar de vulkaan aanwijst. Ik ruik niets. Mijn neus is disfunctioneel, ook al zou je dat gezien het formaat niet zeggen 😉 . Het is nog minstens een uur sjokken tegen het bergje op, voordat ik iets in de richting van zwavel begin te ruiken. We zijn in het hol van de leeuw aangekomen: het hartje van de vulkaan. En wat voor een hart! Grote borrelende poelen met grijze dampende en omhoog spattende blubber! Wat een stank! Waar je op Costa Rica bij de vulkaan wordt gewaarschuwd voor de giftige dampen en je daar niet langer dan een half uur mag blijven, is hier op St. Lucia een wandelgebied door het hart van de vulkaan aangelegd en zelfs een bad!! Daarin kun je je insmeren en belooft de gids dat het je wel 10 jaar jonger maakt!! De verleiding is natuurlijk erg groot, maar ik zie er van af. Inhaleren maar mensen! We lopen door! En ongemerkt wordt het langer dan een half uur, want wat er te zien is, heeft zelfs Hans nog nooit eerder gezien. En dat betekent wat! Parkgidsen en -wachters staan de hele dag in deze dampen en ruiken de zwavel al niet meer. Gekscherend zegt een parkwachter dat hij pas merkt dat er ‘vulkaan onheil’ is, wanneer hij de toeristen hard ziet wegrennen.

 

 

hieronder link naar YouTube filmpje

https://www.youtube.com/watch?v=jUDz-UTvXEc

 

Na dit indrukwekkende schouwspel laven we ons met een heerlijk koud local biertje en een warme lunch, en gaan we voor internet naar een barretje. De terugweg naar Isabella is makkie: berg afwaarts 😉
“Gaan we nu wel of niet naar St. Vincent?”, vraag ik aan Hans.
“Je weet wat er over gezegd wordt…”, zegt hij. Tja, dan kun je net zo goed thuis blijven, denk ik. Natuurlijk is het fijn om allerlei goeie raadgevingen te krijgen en waarschuwingen. We zouden niet zonder willen! Maar je moet nu ook weer niet angst op je hals halen zonder eerst zelf je licht op te steken. Of het moeten zeer dreigende voorspellingen zijn…
We zijn nieuwsgierig en zoeken altijd toch naar onze kant van het verhaal. Wanneer Hans absoluut geen goed gevoel zou hebben om St. Vincent aan te doen, dan zou hij dat ook zeker niet doen. Twijfel is er zeker, maar we gaan toch! Op naar St. Vincent!

 

 

Op weg naar het zuiden: Martinique

 

Bij Guadeloupe ankeren we voor een nachtje in Anse de Bouillante en varen we zonder reden, voor de tweede keer dit mooie eiland voorbij richting Martinique. Daar gaan we voor anker in Le Marin.
Bij de gedachte aan de ankerplaats Le Marin komen er beelden voorbij van wel meer dan duizend zeilschepen en scheepjes die daar bemand en onbemand voor anker liggen.

 

 

We komen oude bekenden tegen: de Enjoyster met Peter en Mirjam. Tuurlijk gaan we even borrelen en luisteren naar elkaars verhalen. Peter spant de kroon met zijn gruwelijke ervaring in Baquai. De bestuurder van een dinghy was vanwege zijn koopwaar meer gefocust op de crew van schepen en kwam in botsing met Peter die op dat moment zijn anker controleerde. Met een open gereten kuit waarin het bot te zien was, heeft de waterpiraat Peter naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht.
We knopen dit verhaal goed in onze oren en vanaf dat moment is Hans van plan om nog meer alert te zijn op waterpiraten. We kletsen wat over reisbestemmingen en krijgen het advies om St. Vincent voorbij te varen: daar is een zeiler overvallen. Dat klikt niet goed, maar gebeurd wel vaker. Maar St. Vincent is zo mooi! Wat gaan wij doen? We hebben nog even de tijd om hierover na te denken, maar eerst een auto huren en dit eiland verkennen! Dat is een gouden greep! We hadden niet verwacht dat Martinique zó mooi is! Waar je spreekt over ‘bananen-land’ en daar een bepaalde associatie bij hebt van onderontwikkelde landen waar wel banaan te koop zijn, is Martinique met recht een echt ‘bananenland’! Waar in Nederland buiten de bebouwde kom weilanden zijn te zien, is hier zo ver je blik kan reiken, het land bedekt met bananenplantages. Van de glooiende bananenvelden rijden we geleidelijk het dichtbegroeide bosgebied binnen. Hoge bomen met lianen. Een landschap dat enigszins doet denken aan een tropisch regenwoud. Ergens ontwaar ik een beekje en we stoppen om het eens van dichtbij te bekijken. Een jonge vrouw wast er haar haren en een oudere vrouw heeft haar ondergoed op een kei gelegd en plonst met haar hand het koude stromende water onder haar rokken omhoog. Ze lacht als ze ons opeens ziet aankomen en roept dat wat zij doet heel gezond is voor je ‘onderkantje’. Wij moeten het ook maar eens proberen. We lachen vriendelijk terug. Een stukje verderop staat een Rastaman met zijn kraampje en verbrassen we 8 euro aan een paar leuke oorbellen.

 

 

 

We rijden weer door en wanneer ik eens goed op de wegenkaart kijk, zie ik dat er ergens diep in het dal een psychiatrisch ziekenhuis moet staan. Mijn hart gaat sneller kloppen en herinneringen aan mijn mooie baan in de psychiatrie dringen zich weer aan mij op. Dat ziekenhuis moet ik zien!! Na een drie kwartier durende slingerende weg door de dichtbegroeide bergen komen we in het dal waar een klein bordje naast de weg vertelt dat er een ziekenhuis is. Het woord ‘psychiatrie’ wordt vermeden. is dit bewust? Heerst hier ook nog steeds een taboe op de psychiatrie? Waarschijnlijk wel. Waar niet…. We rijden voorbij een klein wachthuisje waar de slaperige portier naar ons staart en niets zegt. Verveloze lage barakken, kleine vertrekken met shutters waarachter je mensen met mutsen op ziet schuiven. ‘Overbezet’, denk ik. Geen vrijheid, niet naar buiten kunnen, gedrogeerd. Er is één paviljoen met een tuintje. Deze ‘gelukkige’ patiënten kunnen buiten zitten, achter het hek met prikkeldraad, maar wel buiten. Suf zit hij in zijn stoel waar het kwijl waarschijnlijk vanaf zijn mondhoeken op zijn broek valt. De medemens met de zieke geest.
“Weten die mensen nou dat ze hier opgesloten zitten?”, vraagt Hans zich af. Wie zal het zeggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

mooie weergave blog

voor een mooie weergave van de blog (verhaal) klik je op de titel van het blog, dan opent zich een breed scherm waar je de foto’s optimaal kunt bekijken

Montserrat, alsvliegenvliegenvliegenvliegenvliegenachterna

 

 

Hoewel de pilot toch heel wat moois beloofde, hebben we Nevis links laten liggen. Zeilend langs de mooie langgerekte kust met het goudgele strand waar veel mooie ankerplekjes zijn, kwamen we tot de ontdekking dat het anker hier nergens mag liggen. Dat is een behoorlijke domper en zijn we genoodzaakt om een stuk verderop, tussen dertig andere scheepjes aan een mooring te gaan. Dit gegeven en het feit dat we hier midden in de swell liggen doet ons besluiten om de volgende ochtend door te varen naar Monserrat.

 

Het is ver in de avond als we Montserrat naderen en varen we op het scherm van de plotter en de ogen van Hans die op het voordek staat de baai in. De meeste zeilschepen hebben het ankerlicht aan, maar een enkeling ook niet en dat toont ons direct hoe lastig en vervelend dit voor binnenkomende schepen is. Enkele meters van Isabella vandaan worden we een ander schip gewaar en kan ik nog net op tijd het roer omgooien. Maar niet te lang, want anders varen we tegen een ander schip aan. Het is een kleine baai gevuld met zeilschepen die daar voor de nacht hun onderkomen zoeken. Hans geeft zoals gewoonlijk de richting aan waar naartoe ik moet koersen en een lichte angst bekruipt mij wanneer hij nòg dichter naar de wal toe wil. De swell is niet kinderachtig deze avond. Forse golven rollen richting de kust die nog maar enkele tientallen meters van ons vandaan is. Ze maken een kabaal wanneer ze tegen de rotswand stukslaan. Zo’n geluid ken ik nog van de rotswanden van Saba. Wij zijn nu toch niet aan de beurt??
Hans is een kenner en laat op het juiste moment het anker naar de diepte afdalen: 5.4mtr diep. Dat is mooi.
De volgende dag zien we dat we in een lieflijk klein baaitje liggen en veel andere zeilschepen alweer vertrekken naar hun volgende bestemming. Wij blijven een paar dagen en hebben het plan om eens lekker de benen strekken en het eiland te verkennen! Daar houdt Hans wel van en ja… ik ook.. maar in mijn tempo en niet in de zesde versnelling als je er maar zeven hebt, maar in de vierde of vijfde.

“Wat een vliegen hier zeg!”, zeg ik vol afgrijzen. Als ik ergens een hekel aan heb is het vliegen. Vieze nare ziekteverspreiders zijn het. Een heel legertje zwart gevleugelde monsters met paringsdrift is aan boord geland en zien Hans en mij aan voor mogelijke kandidaten om hun eitjes op te plakken! Ze komen gewoon op ons zitten met hun kleefpoten!
“Ja schat, je moet eens schoonmaken, dan hebben we daar geen last van!”, is het antwoord van Hans waar ik het natuurlijk hélemáál niet mee eens ben!
“Schoonmaken??”, roep ik als door een wesp gestoken! “Hoezo schoonmaken?? Wanneer denk jij dat ik voor het laatst heb schoongemaakt? Gisteren toevallig nog! Het komt door dit eiland, hier zijn gewoon veel vliegen! Ik zal straks de buren eens vragen of zij er ook last van hebben..”, zeg ik beslist.
“Dat zou ik maar niet doen, want ik denk dat zij er geen last van hebben… en bovendien: denk jij dat een vlieg de zee oversteekt om aan boord te komen? Schat, er ligt gewoon ergens iets te rotten waar ze eitjes op hebben gelegd en die zijn nu uitgekomen!”
“Te rotten! Ja hoor! Nou echt niet! Die vliegen komen vanaf de wal met de wind mee!”
Ik laat het er niet bij zitten en de eerste gelegenheid dat ik een andere zeiler spreek, dezelfde dag nog, vraag ik of zij ook last van vliegen hebben.
“Hundreds of them! Terrible!!”, zegt de Canadees. “Oh, nou!! We hebben er wel driehonderd doodgeslagen!”, zegt de Hollander. Zo, ik ben tevreden en doe vergenoegd mijn verslag aan Hans, die het zijdelings ook al wel had opgevangen. “Goh, raar hé? Tja schat, daar doe je niks aan…”, zegt hij. Inderdaad, je doet er niets aan. Maar opeens komt de stem van mijn grootmoeder voorbij: ‘Boenwas verjaagt insecten, daar houden ze niet van’.
Ik pak de Lysol, de Andy en de donkerbruine bijenwas en ‘vermaak’ me deze ochtend door de 12 vierkante meter af te soppen en in te smeren met was en ja, zelfs de salonkussens gaan naar buiten om ze eens stevig met de mattenklopper er van langs te geven en neem in gedachten er ook een paar billen bij 😉 . Het geurt weer heerlijk aan boord, maar de vliegen blijven. Er is maar één oplossing: weg van boord en een lange wandeling maken.

 

Ik laat mijn camera op de boot achter om eens ontdekken hoe het bevalt zonder af en toe een foto te schieten. Het bevalt niet en heb al direct spijt dat het ding nog op Isabella ligt.
Op de wal zien we de openstaande vuilnisvaten en ook de vissers die hun vangst aan de kant van de zee schoonmaken en in mootjes hakken. Dan maar mijn iPhone gebruiken. Het zou jammer zijn als ik al het moois dat we zien niet op de plaat vastleg, want mooi is het zeker!
Hans onderhandelt over een Kingfish en voor nagerekend 15 euro hebben we 5 kilo verse vis. De visser maakt de vis aan de wal schoon, spoelt het kadaver in het zeewater en stopt het in een plastic zak. Hans brengt even snel de vis terug naar Isabella, want wandelen met verse vis aan je middel is geen goed plan! Op de boot scheurt de plastic zak en ziet Hans de mooie vis naar de bodem van de zee verdwijnen! “Shit!!”, roept hij, kijkt razendsnel om zich heen en ziet een paar duikers in een dinghy. Hij weet de mannen te bewegen om de duikflessen weer om te hangen en af te dalen naar 12 meter diepte en met succes! De vis is weer in bezit en wordt snel in de koelkast gestopt. De duikers blij met een fles Schotse single malt die we voor 25 euro vanuit Nederland hebben meegenomen 😀 . De vis wordt duur gegeten 😉 Maar het leven is mooi en we starten onze wandeltocht.
Wat een steile, dicht begroeide dalen die opbollen tot immense bergtoppen! Maar ook: wat een armoede en wat een viezigheid in de bermen! Afval dat al maanden ligt te rotten met plastic dat er verschrompeld tussendoor zwerft. Hier komen dus die vliegen vandaan, van het visafval, de open vuilnisvaten en het zwerfvuil. Waarom gooien mensen hun zooi in de berm? Waarom zorgt de overheid niet voor deze troep door bijvoorbeeld een soort van HALT-project in het leven te roepen. In Nederland klaart dat een hoop klusjes…

 

 

 

We ontdekken een klein museum en gaan eens kijken. Het vertelt veel over de geschiedenis van de vulkaan Soufrière en daar is zelfs een film over te zien. In 1992, na een lange tijd van ‘rommelen’ kwam de vulkaan tot uitbarsten en heeft het zuidelijk deel van Montserrat inclusief de hoofdstad Plymouth compleet verwoest. De uitbarsting is te vergelijken met die van de Vesuvius. Bewoners werden naar andere eilanden geëvacueerd of gingen naar hun familie in een veilig gebied. Een enkeling bleef op zijn land werken. Dit hele gebied is nu afgezet en verboden terrein. Ook volgens taxichauffeurs kunnen we er zelfs lopend niet komen. Op de film zien we dat alleen de kerktoren boven het puin en de as uitsteekt. Er is veel van het land verloren gegaan, vliegveld, landbouwgrond en noem maar op. Het is een zeer indrukwekkende film en bij het verlaten van Montserrat, varen we zo dicht mogelijk langs de kust en overschrijden we zelfs een tikje de waterlijn waarachter geen schepen mogen voeren. We zien restanten van huizen, opzichzelfstaande muren en ingestorte daken. Er hangt een grauwe wolk boven de vulkaan en nog altijd is de geur van zwavel van verre te herkennen. Langzaam varen we door en laten Montserrat gehuld in grauwe wolken achter ons om verder onze heenweg in omgekeerde richting te volgen. De eilanden waar we op de heenweg hebben geankerd, laten we nu voornamelijk links liggen en het lijkt wel of we zo alweer op de mooiste plekjes op aarde komen. Hoeveel ‘mooiste plekjes’ zullen er nog komen?

 

 

 

St. Kitts: “Broodje aap?”

 

 

 

St. Eustacius varen we voorbij. Saba heeft zo’n onuitwisbare indruk op ons gemaakt, dat een volgend eiland van de Nederlandse Antillen daar vast niet tegenop kan. Bovendien lijkt het ons daar qua natuur een stuk saaier, valt er lastig tot niet te ankeren en is bovendien op dit moment niet echt te bezeilen. Wel als het moet natuurlijk, maar niets moet toch tijdens deze reis? We koersen naar St. Kitts. Wie heeft deze naam bedacht, die zoveel herinneringen oproept aan de jaren zeventig, toen een populaire begroeting hetzelfde klonk: “Alles kits?” waarbij een enkeling de ondeugende gedachte toevoegde: ’Achter de rits?’ We gaan het ontdekken of het daar wel of niet ‘kits’ is.
In het donker varen we een grote baai in die in de pilot staat aangemerkt als een goede ankerplaats met weinig hinder van de swell. Er liggen geen andere schepen en dat laat ons wel even twijfelen of we hier zullen ankeren, maar we gokken het er op.
De ankerbaai verdient niet echt de schoonheidsprijs. Oude loodsen en containers en geen man of kip te bekennen. En geen kip, dat wil wat zeggen in deze regionen. Overal lopen kippen los. Soms met wel acht kleine kuikentjes, of drie wat grotere kuikens. De overigen zullen vast door de ratten of zwerfhonden zijn opgegeten.
We gaan de wal op, op zoek naar het immigratiebureau om in te klaren. Op elk nieuw eilandje moet je opnieuw inklaren. Soms voor niet meer dan twee euro (St. Maarten aan de Franse zijde) soms ook voor 10 of nog meer. Het is in ieder geval een verplicht onderdeel bij het aandoen van een nieuwe bestemming.

 


Wanneer we ingeklaard zijn, zoeken we een monteur om de versnelling van onze nieuwe 6pk motor te repareren. Saba laat op deze manier nog even van zich ‘horen’. Hoe Hans het toch altijd fikst weet ik niet, maar binnen vijf minuten heeft hij Marvin gevonden. Een ‘local’ met een auto en elke dag op zoek naar een inkomen. Wij en Marvin hebben dus geluk! Hans rijdt met hem mee naar de man met het juiste gereedschap. Niet de Yamaha dealer, maar dat zal de reparatie alleen maar voordeliger maken. Ondertussen onderhandelt Hans met Marvin over een toer rond het eiland en komt op een mooi prijsje uit dat de helft is waarmee het onderhandelen begon: EC$ 120 wat nu neerkomt op 40 euro voor een hele dag toeren.

 

 

Op weg naar de afspraak met Marvin lopen we langs opspattende schuimkoppen van de Caribische zee en zien we een volkje pelikanen. Het is een prachtig schouwspel om de vogels één voor één hoogte te zien maken om zich daarna met een vliegende vaart in de zee te storten, op zoek naar de vis die ze zojuist nog voorbij zagen zwemmen. De jonge pelikanen vliegen dan snel naar de ouder toe om het visje uit de bek te scheppen. Het gaat zo snel dat mijn camera het amper kan bijhouden. Volgens Hans ben ik gewoon te traag en moet ik vooral doorlopen. Met elke nieuwe ervaring, elk nieuw beeld denk ik “Wanneer ga ik dit weer zien? Krijg ik dit ergens anders nog te zien?” Ik ben gretig in het opzuigen van nieuwe indrukken en beelden die zich voor mij afspelen. Ik kan me er zo in verliezen en zo van genieten, dat al het andere naar de achtergrond verdwijnt. Hoe zorgeloos is dit bestaan en hoe uitverkoren mag ik me voelen dat ik dit mag meemaken? Oké, we hebben er ieder hard voor moeten werken en sparen, net als de meeste andere zeilers, maar je krijgt er zoveel voor terug! Wat is de wereld toch prachtig!

 

 

 

We stappen bij Marvin in de auto, een oude SUV waar de bekleding vermoedelijk ooit donkerblauw was en er in het begin nog functionerende zonneschermpjes voor de bestuurder en bijrijder zaten. Ik heb verzuimd om naar het profiel van de banden te kijken en ik probeer mezelf gerust te stellen met de gedachte dat dit misschien maar beter is ook. Nadenkend over deze conclusie, begin ik aan mijn verstand te twijfelen en zet m’n denken op dat gebied dan ook direct op ‘Stop’. Dat is voor nu even beter. Gelukkig doen de autogordels het wel en bedenk ik dat ook Marvin vanavond vast wel weer bij zijn vriendin op de bank wil hangen. Geen zorgen dus.
We genieten van de glooiende landschappen met in het midden daarvan de vulkanische bergtoppen en het uitzicht op zee waar ooit de magma van de vulkaan tot stilstand kwam.

 

 

Marvin blijkt een prima gids te zijn die heel wat over de oude engelse geschiedenis van St. Kitts kan vertellen. Veel behelst de komst van de slaven en de vele suikerrietplantages. Hij brengt ons naar een van de plantages waar we uitstappen en rondlopen door de voormalige stokerij. Het maakt een diepe indruk op me en kan maar moeilijk loskomen van de gedachte dat ik nu hier als toerist me zit te vergapen aan het materiaal en aan de gangen waarin de slaven werkten, aan het vele leed dat de slavernij met zich meebracht. Een foto van een slaaf die gestraft werd door middel van doorwerken met rond zijn nek een soort van driehoekige ijzeren klem die zo breed als zijn schouders was, maakt me nog kleiner dan ik me al voel. Vreemd dat een gebied waar zoveel onderdrukking van de mens was, door blanken zoveel pijn en verdriet werd toegebracht aan die mens (waarvan men toen overtuigd was dat donkere mensen niet tot het ras ‘mens’ behoorde), nu een toeristische attractie is. Ik weet niet of ik wel zo’n toerist wil zijn. Ik weet dat ik niet zo’n toerist wil zijn, en ik weet zeker ook Hans niet. We staan in ieder geval altijd stil bij dit leed en vergapen ons niet als leeghoofden aan enkel en alleen de gebouwen waar riet werd omgetoverd tot rum.

 

 

 

We hebben om een authentieke lunchgelegenheid gevraagd. “Good and cheap?” vraagt hij. JA-JA!! Zoiets bedoelen we. Geen Burger King, maar een lokaal tentje ergens langs de kant van de weg. Marvin grijnst! Hij weet de beste lunchplek van heel St. Kitts en zal ons daarmee kennis laten maken. We zullen vast nog nooit zo lekker hebben gegeten, belooft hij ons. Onze speekselklieren beginnen al te werken wanneer we aan de heerlijk gekruide gerechten denken die we zo gewend zijn van ‘aan-de-kant-van-de-weg-tentjes’. “You want monkey?” peilt Marvin nog eens. “Monkey?? NO!!” Monkey is delicious volgens Marvin en elke St.Kitteriaan (noem je ze zo?) eet wel een keer per week monkey. Verschrikkelijk! Nou, wij niet. Het deed me denken aan het verhaal dat decennia geleden rond ging over een Nederlands echtpaar dat in gezelschap van hun hondje een rondreis maakte door China. Met veel handgebaren maakten ze in een restaurant duidelijk dat ze ook eten voor hun hond wilde bestellen. De ober nam de hond mee naar achteren. Het echtpaar vond wel dat de maaltijd lang op zich liet wachten, maar uiteindelijk kwam daar dan het lekkers op een grote schaal. Toen de deksel van de schaal werd gehaald zagen ze hun gebraden viervoeter liggen. Nooit zal ik dit verhaal vergeten. Afgrijselijk! En zo is het ook met apen! Wie eet er in hemelsnaam aap? Op St. Kitts eten ze aap. Er schijnen meer apen dan mensen te leven en dus worden ze gevangen en gegeten. Op straat zie je jongeren lopen met een baby-aapje op hun schouder. Een pamper zorgt dat ze niet nat worden van de aapjes-urine. Waar is hun moeder? Wat is er gebeurd? Toeristen van de cruiseboot laten zich met het arme diertje fotograferen en betalen de ‘eigenaar’. Zo houden ze de verkopers van ‘plezier met een dier’ in stand. Bah! Volgens Marvin is dit juist goed. Het drijft de criminaliteit (inbraken, overvallen) tegen. Het zal wel, maar ik denk er het mijne van. Het gouvernement zou moeten ingrijpen.

 

 

 

Hans bestelt een lokale hap met kip en komt met een enigszins bezorgde blik terug van de bestelling. “Nou, ik ben benieuwd! Het ziet er niet uit hier!” “Is het smerig?”, vraag ik met enige bezorgdheid en prijs me gelukkig dat ik nog wat anti-wormenkuurtjes in de medicijnkast heb liggen. “Nou, dat weet ik niet Ik kan niet in de keuken kijken, maar veel moeten we er niet van verwachten!” We wachten een kleine twintig minuten en kijken rond over de plaats waar Marvin ons heeft gebracht. Een schamele vertoning. Een keet met een overdekt terras waar lange tafels staan met een plastic kleed erover en waar je gezamenlijk op een bank aanschuift. Niks mis mee op zich.

 

 

Dan ontdekken we een soort van kippenren. Klein en nog net niet vervallen. In een hoekje schuilt een klein aapje. Hij zit daar moederziel alleen en snuffelt aan een rotte bananenschil die hij waarschijnlijk de dag ervoor al heeft leeggegeten. Hij pakt het op en likt er nog eens aan om het daarna weer weg te gooien. Het stalen bakje waar vermoedelijk water in heeft gezeten ligt op z’n kop tussen wat grassprietjes. Niets te eten en niets te drinken. Hans vraagt Marvin wat de bedoeling is van het aapje en ik antwoord “For cooking!!” Marvin lacht en beweert dat het louter voor amusement voor de klanten is. Ik geloof er niks van en zeg hem dat het diertje een groepsdier is en het op deze manier vereenzaamt, niet socialiseert en daardoor angstig en ook agressief zal worden. Beter om hem vrij te laten, of wat speeltjes in de kooi te leggen en fatsoenlijk drinken. Marvin grijnst weer. Ik verdenk hem er van dat hij wel monkey op zijn bord krijgt zometeen. Ik pak een appeltje uit mijn tas en breng het naar het arme diertje en onderzoek of er niet ergens een gaatje in het rooster zit dat ik wat wijder kan open pulken. Het zit er niet. Met een triest gevoel kijk ik naar het arme dier en hoop voor hem dat het snel verlost wordt van zijn gevangenschap. Op welke manier dan ook….
De lokale hap was niet te vre….en!!
We hebben St. Kitts wel gezien. Behalve de super mooie ankerplaatsjes Whitehouse Bay en Ballast Bay, was er ‘achter die rits’ van St. Kitts niet veel soeps.

 

 

 

 

St Maarten & Mooi Saba, Saba….

Als St Maarten in zicht is, hangt Hans de tė grote vlaggen van Brabant en Boxtel op. Ze wapperen vrolijk heen en weer wanneer we Simpson bay binnenlopen en kijken uit naar de bemanning van Blue Spirit, de Boxtelse zeilers die in 2015 zijn vertrokken.

 

 

 

We gooien het anker uit en kijken eens om ons heen. Na een klein uurtje zien we over de knokige golven een dinghy dichterbij komen en zit Brigit uitbundig te zwaaien. “HOI!!”, klinkt het in koor. Het weerzien is warm en het besef dat we nu echt weer met elkaar aan tafel zitten, voelt een tikje ongeloofwaardig. Brigit had de bubbels al koud staan en we kletsen er op los.

 

 

Er worden plannen gemaakt en hebben reuze veel zin om de komende tijd elkaar weer vaker te zien. Een mooie toeval is dat René een bb-motor van 6pk te koop heeft. Precies goed genoeg voor onze kleine dinghy. Die nemen we van hem over! En dan eerst St. Maarten verkennen en dat begint al goed met de regatta! Temidden van talrijke zeilschepen, zeilen we vanaf Simpson bay richting Marigot bay.

 

We hebben een week ‘eiland verkennen’ voor de boeg, samen met de dochter van Hans en haar verloofde. Het belooft een echte ‘verwenweek van papa’ voor Barbara te worden. Als het jonge verliefde stel aan boord komt, is binnen een half uur duidelijk dat de een nog zieker van de deining wordt dan de andere. We besluiten Isabella te verplaatsen naar Marigot-Lagoon. Een bijna overvolle lagoon die (zeil)schepen aardig beschut tegen swell en andere vervelende deiningen. En wie ligt daar ook? Ja! De Gwelan! Dat is gezellig! De ‘agenda’, die we anders zo verfoeien, lijkt weer bijna volgeboekt met leuke afspraakjes!

Barbara is deze week onze reisleidster en heeft voor elke dag een autoroute uitgezet. We bezoeken het franse gedeelte en het Nederlandse gedeelte en we moeten eerlijke bekennen dat we het franse gedeelte toch leuker vinden. Authentiek, vriendelijke mensen, stukken goedkoper dan het Nederlandse gedeelte en: heerlijk brood!!

We kopen stokbroodjes met franse kaas en wat lekkere drankjes om dit tussen de middag op een van de witte strandjes te verschalken. De baaitjes van St. Maarten zijn naar mijn idee wel allemaal identiek en zorgt voor een algemeen beeld cq herinnering aan dit eiland. Of zou dat komen omdat we de baaitjes vanaf de wal hebben bekeken? Hans geniet in ieder geval van het weerzien met zijn dochter en ik kan me zo goed voorstellen dat dit heerlijk moet zijn!! Wat zou ik graag een van mijn kinderen in mijn armen sluiten!! Maar ik moet nog even wachten en dan eindelijk na 8 maanden mag ik ook!! Aftellen dus…

 

Het is een heerlijke week met op één na, elke avond een ander restaurantje. Verwennerij dus ook voor mij! We verwonderen ons over hoe het jonge stel zo intens gelukkig met elkaar optrekt en zijn heel blij voor ze. Dit tortelduivenkoppeltje gaat het zeker héél lang redden met elkaar.

En dan is deze week alweer bijna voorbij. We rijden nog even naar het smalle strookje strand waar vliegtuigen rakelings over de hoofden van badgasten scheren, om 25 meter verderop te landen. Het is een waar spektakel! Ik kan er als vliegtuigfreak geen genoeg van krijgen en ben al snel m’n drie reisgenoten van deze week kwijt. Of liever gezegd: ik heb geen oog meer voor ze. Dit is fantastisch! Het jagende geluid, de snelheid van de planes en de luchtverplaatsing waarvoor iedereen middels grote borden wordt gewaarschuwd vanwege het gevaar dat je omver wordt geblazen! Iets in mij zegt dat ik hier toch niet een uur kan blijven kwijlen en ga op zoek naar de anderen. En dan is het de volgende dag alweer tijd om afscheid te nemen en zwaaien we ze op het vliegveld uit. Tot over een poosje weer! Tot over twee en halve maand!

Hieronder een YouTube filmpje van het strand bij het vliegveld

https://www.youtube.com/watch?v=SVk0ZTIC1L4

 

We hebben nog een paar dagen tegoed op St. Maarten en bezoeken de Gwelan en Blue Spirit. Ondanks alle gezelligheid moeten we opnieuw afscheid van elkaar nemen. Zoals eerder gezegd: ieder scheepje vaart zijn eigen koers. Dit klinkt en voelt wat eenzaam en verlaten, maar zo is het zeilersleven: je bent en blijft op jezelf en daar kies je ook voor. Het past bij je. Het is ook daarom zo belangrijk dat je het samen aan boord goed met elkaar kunt vinden. Dat je naast passie voor elkaar ook passie voelt met elkaar voor het zeilen, het samen onderweg zijn.
Blue Spirit besluit om eerst de baaitjes van St. Maarten vanuit het water te verkennen alvorens door te zeilen naar andere prachtige eilanden. Gwelan wil liever geen hoogte verliezen en besluit richting Antiqua te koersen. Gelukkig zijn Hans en ik het met elkaar eens: Saba MOETEN we gezien hebben! Het voelt zoals het gezegde ons vertelt: eerst Rome zien en dan sterven.

 

SABA!

Ik neem contact op met mijn zeer gewaarde oud collega Roy. Hij en zijn vriendin wonen sinds een klein jaar op Saba om de functie van verpleegkundig specialist ggz te implementeren. Super leuk om hier in de Carieb een oud top collega te treffen! Na wat appjes heen en weer komt Roy op het goeie idee om naar St. Maarten te vliegen en samen naar Saba te zeilen. Zo gezegd zo gedaan en het is op een zondagochtend half acht dat ik met Dirk (onze dinghy) door het haventje scheur om Roy en Aleksandra op te halen. Wat een leuk weerzien! Wie had dit ooit gedacht toen hij jaren terug op de gesloten opname afdeling een casus kwam bespreken?
De zeiltocht naar Saba begint, en ook al zien we Saba al liggen, het zal nog zeker 6 uur zeilen zijn voordat we voet aan land kunnen zetten. En die zes uur is net even te lang voor Aleksandra. Ook zij is niet bestand tegen het deinen en zoekt de rust op het achterdek waar ze de hele tocht als een ziek vogeltje toch een beetje geniet van Roy die op een zeilschip helemaal in zijn element is.

Saba komt dichterbij en lijkt eerst nog op een grijze slagroomtoef die zo uit de oceaan rijst. Het is dus waar: veel oppervlakte vanwege de hoogte, maar qua omtrek niet zo groot. Wanneer we de kleuren van Saba kunnen herkennen word ik blij verrast door de groet van de Roodsnavel Keerkringsvogels. Een viertal vliegt op ons af en daar is het ijle kreetje weer dat ik van ze opving temidden van de Atlantische oceaan! Wat een prachtige vogels en wat een mooie ontmoeting weer! Hier nestelen ze dus! Wow! Ik geniet!

 

De zee rond Saba is onrustig en Hans heeft zijn huiswerk alweer goed gedaan: we gaan ankeren bij Ladderbay. Daar is het water het meest rustig. Maar eerst Roy en Aleksandra aan wal zetten en leggen aan in het kleine haventje. De zee is immers te ruw om met Dirk naar de wal te tuffen.
We varen door naar Ladderbay, een klein stukje van hooguit tien minuten, dat bij het haventje ‘om de hoek’ ligt. Het verschil in deining is direct merkbaar en voelt beter aan. Eten koken in een schommel heb ik namelijk voorlopig wel gehad. Ladderbay is mooi! Geen glooiende gele stranden, maar direct uit het water rijst de met diverse groene planten en bomen beklede klif van Saba op. We pakken een mooring en liggen zo vast als een huis.
Met de laatste minuten van provider Chippie brengen we onze kinderen op de hoogte waar we zijn en spreken met Roy af dat we morgen naar de wal komen. Maar daar steekt de wind een stokje voor. Het is niet langer rustig in Ladderbay en na een nacht als sjoelschijven in ons bed te hebben gegleden en bij controle op het dek in de maanloze nacht niets bijzonders te hebben gezien, ziet Hans bij de eerste zonnestralen dat Isabella toch is verplaatst. Hij kijkt nog eens en ziet dat het niet Isabella is, maar onze ‘buurman’. Een ongeveer even groot zeilschip als Isabella is van de mooring los en drijft af richting de rosten. “Elise kom eens kijken!”, roept Hans luid boven de wind uit. “Kijk daar eens! Dat schip is los en er is niemand aan boord!”
“Laten we de dinghy pakken en er naar toe gaan!”, roep ik naar Hans. “Dan trekken we haar terug naar de mooring!”
“Dat is een zinloze actie lief, wij met onze dinghy in deze golven met deze wind! Zie je het al voor je? Dat wordt een gevecht dat wil je niet weten! Dat gaan we verliezen!” stelt hij beslist. “Nee lief, we brengen onszelf niet in gevaar!”
Ik weet dat hij gelijk heeft, maar het is zó’n triest gezicht om het schip richting haar ‘dood’ te zien afdrijven. Snel nemen we via VHF16 met de marifoon contact op met de havenmeester, de marine patrol en alle ‘belangrijke figuren’ waarvan we vermoeden dat ze iets voor het schip kunnen betekenen. Maar aan de andere kant van de lijn blijft het stil. Niemand reageert. Hans blijft proberen en we horen dat een ander zeilschip dat ook aan een mooring ligt, ook contact probeert te krijgen met bepaalde instanties. En dan komt er eindelijk een stem vanaf Saba-site, maar het is te laat. De mast van het schip klingelt, het schip slaat heen en weer en de eerste krakende en zuchtende geluiden van de aanraking met de rotswand bereiken ons. Dit wil je als eigenaar niet meemaken! Waar is die eigenaar eigenlijk? Laat je zomaar in dit weer je schip voor een paar dagen alleen achter? Kennelijk wel en we kunnen het ons ook voorstellen, want twee dagen eerder was het nog rustig. Maar hoe kan het schip zijn losgeraakt? Het zijn nieuwe moorings! Hans pakt de verrekijker en ziet op de boeg twee losse landvasten bungelen. De eigenaar heeft het schip met landvasten aan de mooring bevestigd en door het schavielen zijn de landvasten doorgesleten. Kapot, los, weg.
En dan zijn er de Amerikanen van de catamaran verderop die kennelijk nu ook wakker zijn en het schip zien liggen. Ook zij nemen via VHF16 contact op met eventuele ‘redders’. We stellen ze op de hoogte dat dit al is gebeurd. Met hun veel stevigere dinghy varen ze richting het schip, maar komen onverrichte zaken terug: geen redden meer aan.

 

Na ruim een uur komen er hulptroepen in de vorm van twee vissersbootjes, maar kunnen niets doen. Hoge golven slaat het schip heen en weer, kantelt het schip en draait het schip als een tolletje om haar as. Dan ligt het schip met de boeg naar de zee gekeerd en lijkt ze zich met elke krachtige golf verder de rotswand in te boren.
De Marine patrol neemt ook een kijkje. Kennelijk smeden ze met elkaar een reddingsactie en na nog meer verstreken tijd worden er twee lijnen aan het schip vastgebonden. Een aan de boeg en een aan de mast. De twee bootjes gaan ieder een kant op. Op het dek van het schip zien we twee figuurtjes staan. Wat zijn die van plan? De bootjes beginnen te trekken en te trekken. Het schip ligt behoorlijk schuin en lijkt van de rotsen los te komen Een kleine ruk zal het van haar plaats trekken. Dan plots knapt met een harde knal het voorste touw kapot. Het schip slingert terug en de figuurtjes verliezen hun evenwicht en glijden van het schip de zee in. OOHH!!! Wat een ramp!!! Vreselijk om te zien! Twee koppies komen boven water. Ze zijn in orde zo te zien. De vissersbootjes ondernemen geen tweede poging.
Ondertussen maak ik foto’s en filmpjes van dit vreselijke schouwspel. Wie weet kunnen we daar later de eigenaar mee van dienst zijn. Hans vat het idee op om de foto’s en filmpjes op een USB te zetten om het later aan te bieden. Hij roept een van de redders en de Marine patrol met jonge dame in blauw poloshirt vaart op ons af. Hij vertelt ze van de USB en vraagt of ze voor ons internet kan regelen, omdat we onze kinderen op de hoogte willen brengen dat met ons alles oké is. Hans schrijft een kort briefje met daarin het aanbod, het verzoek, onze telefoonnummers van deze regio en de naam van onze website. Hans gooit het kokertje richting jonge dame die het kokertje met briefje uit de zee vist. De USB geven we nog niet mee, omdat we niet willen dat die in verkeerde handen valt, bijvoorbeeld van de pers. We hopen de eigenaar zelf te ontmoeten.
De dag is voorbij en het schip ligt onveranderd tegen de rotswand geplakt. De vallen klingelen tegen de mast en zorgt er voor dat we regelmatig herinnerd worden aan haar aanwezigheid. Wanneer de nacht invalt zien we een klein lichtje branden op de plaats waar het geklingel vandaan komt. Het is het ankerlicht. Hoe wrang…

Hieronder een filmpje van het schip:

https://www.youtube.com/watch?v=ELGjBhxP0EY

 

 

Hans durft het aan om Isabella te verlaten en twee dagen lang Saba te verkennen. De zee is rustiger en onze mooring houdt het goed. Gekleed in enkel bikini en zwembroek stappen we met onze waterdichte bagage in Dirk. Op naar de wal! Bij de ‘hoek’ van Saba, tussen Ladderbay en de haven lijkt het of we ons hebben vergist. Hoge golven klotsen over de punt van Dirk en vult dit kleine rubberen bootje. Al snel staat er meer dan 15 cm water in Dirk en ik durf niet meer vooruit te kijken om te zien hoe nog meer golven trachten ons tot zinken te brengen. Met ingehouden kermen zit ik voorover gebogen te bedenken hoe ik m’n vege lijf moet redden wanneer we met Dirk voor de tweede keer over de kop zullen slaan.
“We zijn er bijna lief, nog 100 meter!” roept Hans geruststellend en herhaalt dit zinnetje na 10 minuten nog eens. Ik ken hem. Altijd optimistisch!
Aan wal kom ik tot besef dat we het wel hebben gered. Wat een onderneming hier om aan wal van ‘The Unspoiled Queen’ te komen! Vandaar dat ze nog ‘Unspoiled’ is, Saba. Zeilers met minder suïcidale neigingen slaan Saba over.

 

Na een telefoontje komt Roy ons ophalen en rijden we over ‘The Road’. De weg die volgens Nederland ondenkbaar was om aan te leggen en waarvan Saba zei: dit gaan we toch doen! The Road verving ‘The Ladder’, de meer dan 800 treden tellende trap in Ladderbay waar vroeger de voorraden werden aangesleept. The Road slingert met vlijmscherpe haarspeldbochten door het gebergte en je moet van goeie huize komen wil je hier zonder deuken of krassen doorheen rijden. Het verhaal gaat dat locals The Road het beste berijden na een paar glazen rum…

 

Thuis heeft Aleksandra de koffie klaar staan en maken we kennis met hondje Boris. Een super huisgenootje!
Saba staat bekend om haar vijf verschillende klimaatzones: van droog tot nat, van altijd zon tot bewolkt. Deze dag staat Sandy Cruz Trail op ons programma. Een wandeltocht van drie uur door het regenwoud en dat het regende was wel zeker. De top van de berg hult zich in een dokere wolk en het water valt recht naar beneden op de verschillende tinten groen blad. Hans snijdt twee grote bladeren af die we gebruiken als de hier bekende ‘Poormans Umbrella”. Het is een fantastisch mooie tocht waarbij taal nog teken van enig fauna en eindigt in de achtertuin van een riante villa. Daar prijkt een bordje met de begrijpelijke vraag of we niet hun ‘property’ willen betreden. Te laat: we zijn er al.

 

We zien een weg en lopen er naar toe. Op een van de kleine huisjes prijkt een bordje met de namen Els en Gied Mommers. Brabantser kan het bijna niet en nieuwsgierig kijkt Hans of hij de bewoner ziet. Hij heeft succes! Natuurlijk knoopt hij een praatje aan en worden we door Gied uitgenodigd om verder te komen. Achter het kleine geveltje blijkt een gigantisch groot complex te liggen. Een huis dat tegen de rotswand is gebouwd en verschillende verdiepingen met terrassen heeft. Gied vertelt wat over zijn verleden en ondertussen genieten we van het uitzicht dat adembenemend is, maar waarvan we ook vermoeden dat, wetende dat je op zo’n klein eiland woont, dat mooie uitzicht vervaagt en doet verlangen naar andere vergezichten.

 

genieten van het uitzicht

De avond wordt bij Roy en Aleksandra met gezelligheid gevuld en smullen we van een heerlijke BBQ-maaltijd! Nadat door het enigszins rijkelijk innemen van geestrijk vocht de remmen wat losser komen, pakt Hans de gitaar van Roy en brengt wat zojuist bedachte klanken ten gehore.

 

 

De tweede dag verkennen we Mount Scenery, welke naam ik aan het einde van de trip ombuig in Mount Slippery. Ondanks de aangelegde traptreden, of waarschijnlijk juist wel daardoor, maken we beide een lelijke val. Hans loopt aan de onbeveiligde zijkant van het pad wanneer een stuk aarde afbrokkelt en hij een lelijke val maakt van enkele meters naar beneden. Hij weet nog net een aantal lianen te pakken en kruipt weer omhoog. Behalve een gekneusd gevoel aan zijn heup, gelukkig geen ernstig letsel. Zelf verlies ik mijn evenwicht wanneer ik met m’n voet van een gladde steen glijd, daarmee een knak maak en de rest van de dag met een pijnlijk groot ei op m’n wreef loop. Hangt hier rond Saba pech in de lucht??

 

 

Naar het schijnt moeten we nog één hindernis overwinnen: op The Road komen we zonder benzine te staan. Na een half uurtje kunnen we doorrijden naar de haven. Daar wacht ons een volgende teleurstelling. Een onverlaat heeft Dirk van zijn plaats gehaald en aan een andere steiger gelegd waardoor de BB-motor onder de steiger terecht is gekomen en de versnelling is verbogen. Starten is een probleem en als ie start, kun je er niets mee. Isabella ligt buiten aan een mooring en de zee is alweer ruw. Gelukkig is de havenmeester bereidt om ons toestemming te geven om even met Isabella naar binnen te varen. Nu nog een lift zien te krijgen, maar die is snel gevonden. Roy en Hans stappen op Isabella en komen het haventje in. Roy is in zijn element en duikt in het havenwater om Dirk van de steiger naar Isabella te verslepen. We worden er vrolijk van en lachen. Boris kijkt hoe zijn baasje in het water spartelt en lijkt en ook een duik te willen nemen. Dan is het zover. We nemen afscheid en kijken terug op een paar mooie dagen Saba en de gezelligheid van Roy en Aleksandra.

 

We verlaten de haven en op dezelfde ‘Hoek’ van Saba worden we ingehaald door een Marine patrol bootje met daarin een jongeman van de marechaussee. Hij sommeert ons vaart te minderen en beveelt ons per omgaande terug te varen naar de haven. Dit is een grap en we glimlachen vriendelijk terug. Maar als een rasechte tucht- en orde handhaver herhaalt hij rechtopstaand met opgezette borst alweer zijn bevel. Het is dus geen grap. Ik bespeur toch een lichte onzekerheid in zijn stem en zeker ook in zijn mimiek.
Hans weigert terug te varen naar een mooring bij de haven en vraagt wat er aan de hand is. “U heeft niet zo’n vriendelijk briefje geschreven’, antwoordt de ordehandhaver. Wij weten van niets. Hans nodigt de man uit om aan boord te komen i.p.v. terug te moeten varen naar de haven. Hij stelt zich keurig voor en start direct op dwingende toon zijn relaas af. Zijn autoritaire en dominante houding staat hem hierin bij, denkt hij vast. Ik benoem zijn gedrag en stel voor dat hij op kalme wijze verder met ons in gesprek gaat, dat zal waarschijnlijk meer vruchten afwerpen. Hij kijkt me aan en ziet volgens mij sterretjes. In ieder geval is er geen duidelijke reactie van begrip op wat ik zeg. Ik vermoed dat hij tijdens de les ‘conflicthantering’ heeft zitten snurken. Wel, laat ik dan het praktijkvoorbeeld zijn, besluit ik.
Hij vraagt aan Hans vraagt om de USB en onze paspoorten die hij uiteraard kan inzien. Hij beweert dat we niet volgens de regels zijn uitgeklaard en dit morgen alsnog moeten doen en besluit onze paspoorten in te houden. Hans is zo verbaast en upset. Het klopt namelijk niet: we zijn al uitgeklaard en goed ook! We leggen ons er bij neer en spreken af dat we de volgende ochtend om 08uur bij de havenmeester zijn. Daar zullen dan ook de paspoorten liggen, de USB blijft bezit van de marechaussee. Dan neemt de man afscheid en steekt zijn hand toe, maar Hans heeft er al geen zin meer in om beleefdheden uit te wisselen. Ik krijg ook een hand en zie hem trillen. Wanneer ik dit benoem kijkt hij er naar, draait zijn hand om en zegt “Ja, een beetje”. Dat is mooi, dat hij dat toegeeft.

De volgende ochtend vertrekken we vroeg naar de haven. Hans plaatst ons oude 2.3pk motortje op Dirk. Gelukkig start het ding direct en is Hans los van Isabella. Al snel valt de 2.3pk uit en dobbert hans op de woelige baren van de oceaan. Daar is geen peddelen tegen bestand. “Roep via de marifoon om hulp!!”’ schreeuwt Hans, maar dat had ik zelf ook al bedacht. Echter is er een herhaling van zetten: er reageert alweer niemand op VHF16. Ik stop vier vingers in m’n mond en fluit zo hard als ik kan, maar niemand lijkt impressed. Of het is te ver weg om het te horen. Tegen dat kabaal van die golven is toch ook niet in te gaan!?! Ik pak de scheepshoorn en blaas tot de gasfles bijna leeg is. En dan hoor ik iemand via de marifoon. “Iieiezabelllaaa… can i help youou??” YES!!! Snel doe ik uit de doeken wat er aan de hand is en de man belooft hulp te sturen. Een klein vissersschuitje tuft op Hans af die al bijna niet meer te zien is in de hoge golven.
Eenmaal op de kant is het lang wachten op de terugkomst van Hans. Even roept hij me via de marifoon op om te vertellen dat de marechaussee verzuimd heeft om de paspoorten te brengen en die nu naar het havenkantoor gebracht worden. Daar kun je dus op bouwen! Als hij dit ook met zijn vriendin zo doet, komt het vast wel goed.

Na een uur is Hans nog niet te bekennen. Inmiddels heb ik als internist gespeeld en is Isabella van binnen zo clean als maar zijn kan. De tijd kruipt voorbij. Waar hangt hij uit?
Het is half twaalf wanneer ik hem weer zie, in Dirk die gesleept wordt door een man van immigratie en customs. Wanneer Hans eenmaal aan boord is barst hij los en doet zijn verhaal over het onrecht dat hem is overkomen. De commissaris van politie wilde een gesprek met Hans op het politiebureau. Wat bleek? Er was aangifte tegen hem gedaan van afpersing en bedreiging, omdat we om internet hadden gevraagd in ruil voor de USB. Hoe kun je het verzinnen! Na een goed gesprek met de commissaris is het Hans duidelijk dat op Saba regelmatig afpersing en bedreiging wordt ingezet om doelen te bereiken. Om dit tegen te gaan is de commissaris met zijn team hard aan de slag gegaan om het te bestrijden en pakken ze alles aan wat daar maar enigszins naar riekt. Gelukkig is de aanklag ingetrokken.

Er zat ook nog een leuke kant aan het verhaal. De man in het vissersschuitje die Hans uit de hoge golven redde, wist wel wat hij als dank van Hans wilde hebben. “Jij bent toch die man van dat filmpje van die boot? Dat filmpje wil ik”. Laat die visser nou pech hebben…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

van St.Lucia naar St.Maarten (Dominica, Les Saints, Guadeloupe, Antigua, Barbuda)

 

 

 

 

Bij het horen van de bestemming ‘Caribisch gebied’ slaat bij menigeen de fantasie op hol. Witte stranden, palmbomen, cocktaildrankjes, zonnebrandcrème factor 100, lazy afternoons met passionele strelingen en ga zo maar door. Niets is minder waar, blijkt in de eerste weken na onze aankomst. De 18 dagen Atlantische Oceaan waarop er weinig geklust (behalve dan het tijdelijk repareren van de motor) en schoongemaakt is, moeten worden ingehaald binnen een week en het liefst binnen twee dagen! Het werktempo schiet van nul- tot boven 2000 toeren per minuut.

De hitte werkt niet mee en wanneer we avonds om zes uur een aantal taken van de to-do-list kunnen schrappen, duik ik de keuken in om onze lijven van brandstof te voorzien. Op dit tijdstip is de zin om deze klus nog te klaren ver te zoeken. Dat mag duidelijk zijn. Maar allez.. eten hoort bij het leven. En wat eten we dan? Eigenlijk heb ik in deze drukte geen zin om ook nog eens naar een supermarkt te zoeken en zware tassen te sjouwen, maar er ontbreekt verse groente. Ik ontkom er niet aan om de supermarkt te bezoeken. Ik pak de boodschappentas weer op en kiep de Kaapverdische Escudo’s uit m’n beurs om plaats te maken voor de vreemde EC-dollars, waarvan ik in het begin dacht dat het om ‘easy dollars’ ging. 1 EC$ is 33 eurocent. Ik vraag aan de bewaker van het marinapark waar de supermarkt is. Hij wijst me de weg en is ongeveer een kwartier lopen, dus dat valt mee.

Eenmaal op weg blijkt dat er geen voetpad langs de tweebaans ‘snelweg’ ligt en moet ik de berm in om mijn doel te bereiken. Met mijn lange witte benen onder m’n korte rokje en T-shirtje lijk ik voor een auto vol werklui een attractie te zijn en het volkje vermindert duidelijk vaart om die withuid eens te bekijken. Stoïcijns loop ik met mijn neus en kin omhoog door de hondendrollen en andere prut in de berm. Bah, ik heb geen zin in die hongerige ogen en pak m’n mobiel om een vriendin te bellen. Dit gebaar is blijkbaar niet aantrekkelijk en de auto speert er weer vandoor. Als de verse groente en fruit eenmaal zijn afgerekend loop ik terug naar de weg, steek mijn hand op naar een naderende bus en stap in. “To the marina please”, zeg ik tegen de chauffeur. Voor 60 euro-cent brengt hij me weer terug van weg geweest.

Later blijkt dat dagelijks de fruitboer in z’n gammele schuitje langszij komt. Dat is een gemak en bespaart gesjouw! De volle wasmand besteed ik uit aan een dame die met een soort van Golfkarretje over de steigers rijdt. Heerlijk om het een keer niet zelf aan boord in een emmertje te moeten soppen! Over twee uurtjes komt ze de was weer terugbrengen. Ik ben verbaasd hoe snel dat is! Later bij het opruimen van de was begrijp ik waarom: vlekken zijn niet verwijderd en fris ruiken doet het ook niet echt. Zonde van de zestien euro! De volgende poging gun ik ‘Sparkle’. Een vriendelijke man die met zijn bootje door de haven vaart en wasgoed verzamelt. Het is een goede beslissing: schoon met een lekker geurtje! Dat wordt eindelijk weer eens lekker slapen tussen frisse lakens!

 

Dagen verstrijken en inmiddels hebben we afscheid genomen van de Gwelan (zie slot film Atlantische oceaan deel 4), die op doortocht is naar St. Maarten. Dat is ook ons doel, maar we zullen deze afstand in een iets rustiger tempo varen.
De vermoeidheid van de overtocht, gespekt met het harde werken hier in Rodney’s Bay, Saint Lucia, slaat toe. Geprikkeld en geïrriteerd door wat de ander zegt, doet, juist niet zegt of juist niet doet, vragen we ons af of we wel verder moeten gaan. Op deze manier is het allemaal niet zo leuk. Geen witte stranden, palmbomen, cocktaildrankjes, zonnebrandcrème factor 100, lazy afternoons en passionele strelingen. In plaats daarvan voelen we ons opgelucht als de ander even van boord is voor een boodschap of een praatje verderop, wordt factor 100 door zweetdruppels van je lijf naar de goot getransporteerd en geef je de ander liever een por dan een streling. Het is ook niet niks om zonder ‘oefening’ vooraf, al meer dan een half jaar 24/7 in 12 kubieke meter boot op elkaars lip te zitten. En dat op onze leeftijd! Ieder met een duidelijk eigen karakter en rumoerig verleden. En toch is daar telkens weer die wens, dat gevoel van ‘door willen gaan’. We spreken het voor de zoveelste keer uit.

 

De dagen verstrijken en eindelijk is daar de dag dat we weer een stukje verder zeilen en gaan ankeren. Het is de eerste plek waar ik na 30 jaar opnieuw kennis maak met de onderwaterwereld van het Caribisch gebied. Er zijn niet veel vissen en zeker niet groot of spectaculair van kleur, maar wat ik zie is prachtig genoeg om opnieuw mijn hart te verliezen. Wat is de natuur toch mooi! En wat zijn wij mensen, ik heb het al eerder gezegd, ten aanzien van de natuur veelal toch hebzuchtig en ja sommigen zelfs vernielzuchtig. Wat een ‘lost’ als je niet in staat bent om dit moois te herkennen en te respecteren. Maar genoeg gezegd/gepreekt: ik geniet, voel m’n lijf en ben eindelijk weer ontspannen en van plan om nog veel meer moois te ontdekken!
We lopen samen naar het dichtstbijzijnde stadje en zien in de berm van de weg een autootje staan met een kraampje. We gaan eens kijken wat daar te koop is en zien een ‘fris gewassen’ man verse vis schoonmaken. De schubben vliegen in het rond en dalen op zijn T-shirt neer. Aan het T-shirt te zien heeft de man hier gisteren en eergisteren ook vis staan schoonmaken. Hij spreekt in een onverstaanbaar taaltje met een lokale bewoonster. Ik zie haar wijzen naar een koelbox waarin een soort van slootwater zit. De man lijkt wat te mopperen, pakt de vis bij z’n staart en laat hem in de koelbox vallen. Met zijn handen wast de man de losse schubben van het vissenlijf en veegt daarna zijn handen aan zijn broek af. De vis wordt weer op de tafel gekwakt en met een grote klewang en een klos hout, hakt de man de vis in moten.
“Lekker!”, roept Hans. “Zullen we een paar moten kopen? Ik heb wel zin in een lekker stuk MahiMahi vanavond!” Alle vooroordelen van onhygiënische toestanden met het risico op een flinke darminfectie zet ik opzij. De vis is vers, dat is zeker. Of hij op hygiënische wijze wordt schoongemaakt is op zijn minst twijfelachtig te noemen. Ik produceer een vreemd keelgeluidje en met opgetrokken wenkbrauwen hoor ik dat ik zomaar zeg “Dat is goed”.
De locale mevrouw lijkt de visboer nog eens te wijzen op de inhoud van de koelbox. De man is overtuigd dat er niks mis is met het spoelwater, maar kiept de box toch maar leeg en vult het met fris water uit een jerrycan. Ik kan de bodem van de box weer zien. We nemen vier moten en smullen ’s-avonds van de MahiMahi zonder een dag later last te hebben van vervelende darmproblemen.

 

Na een bruisende vrijdagavond tussen de plaatselijke bewoners, waar het ritme van zuid-Amerikaanse muziek de heupen van menigeen in beweging zet, zij hun etenswaren op straat verkopen en de zwerfhonden zich tegoed doen aan het vleesafval, vertrekken we de volgende ochtend naar Martinique.
Het overvolle Martinique vinden we maar matig aantrekkelijk. We doen er ‘ons ding’ en besluiten na de derde nacht het anker weer op te halen.

 

Op de ankerplaats bij Dominica lijkt er een competitie te bestaan tussen de bootjes-mannen. Mannen die met hun gammele vaartuigjes zo snel mogelijk naar je boot racen om je de beste ankerplaats aan te wijzen. Niet voor niets natuurlijk. 5 EC$ is eigelijk te weinig en de ontvanger staart dan ook teleurgesteld en verwonderd naar de inhoud van zijn handpalm. We vinden het genoeg, zeker omdat we zelf ook wel een geschikte plaats kunnen vinden en de sympathie bij de bootman ver te zoeken is. Deze kennismaking met Dominica zet zich voort wanneer we op straat lopen en opdringerige zwervers geen genoegen nemen met een enkele ‘No-thank-you’, het zinnetje dat we inzetten wanneer er om geld wordt gebedeld. Dominica is te mooi om ons lang te irriteren aan dit gedrag en vinden een taxi-driver die ons naar het tropisch regenwoud brengt. Een rit van ruim drie kwartier met hoe hoger we komen, hoe smaller de weg en nog steeds kans op tegenliggers!
De modderige steile paden van het ‘hiking-pad’ zijn ingelegd met oude boomstammen en geven enigszins houvast. Het uitzicht hier boven op de top van de berg is werkelijk adembenemend! Niets anders dan diverse gebergtes die bedekt zijn met groene wouden. Als ik een vogel zou zijn, dan zou ik hier willen wonen. Zwevend en turend over de toppen van het groen mijn weg vinden. Of nee, niet mijn weg vinden, maar waar ik de wind mijn richting laat bepalen. Misschien wel eindeloos lang met mijn vleugels gespreid over die zuurstofhuisjes met groene daken. Ongestoord door mensen of gedachten aan onopgeloste vraagstukken. Vrij, zo vrij als een vogel kan zijn.

 

Nieuwsgierig vragen we ons af welke inheemse diersoort we als eerste zullen tegenkomen. Maar na een tocht van anderhalf uur klimmen en dalen, zien we nog steeds niets! Zelfs geen mug! Maar wat schetst onze verbazing? We komen soortgenoten tegen! Twee Amerikanen die genietend van het uitzicht hun overlevingspakketje aan het verorberen zijn. We maken een praatje en schieten foto’s van elkaar. Altijd leuk om Amerikanen te ontmoeten. Het voelt als een soort van ‘bekende buren’.

 

Er is nog een stukje Dominica dat we niet willen overslaan: The Indian River. Ook hier ontstaat geharrewar over geld en even komt de nare smaak van ‘opdringerigheid’ en ‘profiteren’ in onze monden terug. Na wat afspraken over de betaling ploffen we in de schuit die ons naar de rivier zal brengen. De bestuurder vertelt de geschiedenis van de rivier en welke diersoorten er leven. We zien inderdaad twee krabben en een blauw-paarse vogel. Niet echt spectaculair. Wat wel indrukwekkend is, is de spiegeling in het water van de Mangrove bomen met hun grillig gevormde wortels. De gids wijst ons nog een klein houten hutje aan. Een overblijfsel uit de opnames van een van de films ‘Pirates of the Caribien’ met Johny Depp. Zou het echt zo zijn? We weten het niet en halen eenmaal aan boord het anker weer op om te koersen naar Les Saints.

Les Saints is volgens de Pilot een paradijs op aarde met nog veel historie. Dat spreekt ons aan en een halve dag en 15 mijl verder komen we aan in een plaatsje dat qua toeristenmassa veel weg heeft van Volendam. Ook al hebben we de nieuwste Pilot: hij moet toch eens herschreven worden! We aarzelen dan ook geen moment en vertrekken de volgende dag alweer.

In Guadeloupe zeilen we door naar naar een armzalige vissersplaatsje met een goede ankerplaats, maar ook hier kunnen we niet vinden wat we hoopten aan te treffen, namelijk gemoedelijkheid en vriendelijkheid. Zelfs de restaurant eigenaar is snauwerig en totaal niet bereid om ook maar één woord Engels te begrijpen. Onze Franstalige knobbel wordt gestart en in samenwerking met handen en voeten bestellen we een malse steak du Bifteck. Verkeerde keuze, gezien de structuur van het vlees dat verdacht veel op een oude stier lijkt. Wegwezen dus.

En dan is het eindelijk zo ver!! Het geratel begint zacht. Ttrrrrr….ttrrrr…. en dan opeens een heel lange ttrrrrr!!! Het houdt niet op. Hans vliegt op van de bank en is in no-time in de kuip! “Dat is een vis!!” roept hij opgetogen. Zijn ogen glinsteren! Al die maanden is de hengel regelmatig uitgegooid, maar zat er behalve wat wier, geen vis aan de gemene haak. Nu wel! En een forse zo te horen. Het geratel wordt door Hans geblokkeerd en zachtjes trekt hij aan de lijn. Het is een feit. We hebben vangst! In de verte springt de vis boven de golven uit en probeert zich los te rukken van de haak. Die gemene grote haak met weerhaken op de punten, zodat er geen ontkomen meer aan is. Arme, arme vis!! Z’n lijf kromt zich in allerlei bochten om aan de haak te ontsnappen. Schuimende koppen zeewater liggen als een kroon om het enorme glanzende beest dat woest aan de lijn trekt. Langzaam haalt Hans de lijn binnen, wacht even en trekt weer verder aan de lijn. De vis wordt moe en op het moment dat de vis een moment uitrust van zijn gevecht, trekt Hans weer aan de lijn.

“Het is een MahiMahi!”, roept Hans. Een schitterende blauw-groen gekeurde huid spat boven het water uit en zakt weer onder. Dan is de vis vlak bij de boot en moeten we hem aan dek zien te krijgen. Een hele klus, want de vis geeft nog steeds niet op en biedt weerstand. Ik neem de hengel van Hans over, zodat hij zijn handen vrij heeft om… ja schrik niet… om een grote haak te pakken. Een haak die speciaal bedoelt is om een vis aan de haak te slaan en aan boord te trekken. Ik durf niet te kijken en roep weer “AHHH!! Zielig!!!”. Ik bid voor de vis en dank hem voor zijn leven dat hij geeft om ons te voeden. Dan is de vis is aan boord. Hans haalt de haak uit zijn lijf en direct zie je de prachtige groene en blauwe metallic huid veranderen in dof-grijs. De vis is dood. Om later het visverhaal kracht bij te zetten pakken we de meetlat en meten 140cm MahiMahi!! Een joekel!! De bak waar anders de landvasten liggen is nu het tijdelijk mortuarium.

 

Antiqua is in zicht en we redden het nog net om voor zonsondergang te ankeren. Hans wil de keuken gebruiken om de vis te fileren, maar de herinnering aan de visboer in de berm zorgt er voor dat ik tegen dit idee in opstand kom. Ik wil in de keuken geen rondvliegende visschubben, bloed en ander visafval. Ik griezel van het idee. Hans geeft zich gewonnen en verplaatst de slacht naar het achterdek. Behendig fileert hij de vis en kiept het afval in een emmer. De vriezer is 14 ruime porties MahiMahi rijker. Het visafval gaat overboord en al snel komen daar kleine monsters op af. Baracuda’s en kleine haaien. Nou ja klein… anderhalve meter toch zeker wel. Mijn dagelijkse duik in de zee sla ik vandaag maar een keer over.

 

Ondertussen zijn we aardig op elkaar ingespeeld en hoewel ik een ‘aardemens’ ben, begint het zeilersleven al wat te wennen. We zijn het met elkaar eens over het feit dat korte afstanden zeilen, dagje land bezichtiging en weer door zeilen, het beste bij ons past. Het geeft meer structuur en daardoor rust in ons huidige leven. Iets waar we op dit moment beide behoefte aan hebben. En ook al weet ik dat het door mannen vaak als ‘gezeur’ wordt beschouwd en ze zich er liever niet, of botweg ‘niet’ aan overgeven, ik kan het als rasechte verpleegkundig specialist geestelijke gezondheidszorg (nurse practitioner mental healt care) niet nalaten om toch regelmatig een diepgaand gesprek te starten. Het is de nooit aflatende belangstelling naar het innerlijk leven, gedachtengang, gevoelens, beweegredenen van mijn medemens, die me telkens op dit spoor zetten. Het is nu eenmaal zoals ik ben. Hans lijkt dit steeds beter te accepteren en ik accepteer meer dat ik hem niet dagelijks aan mijn ‘hebberigheid’ op dit gebied moet blootstellen en stel mijn behoeftes bij.Ook de To-Do-List lijkt aardig geslonken te zijn en behalve het vervangen van de windmeter, komen geen nieuwe klusjes bij. Dat zorgt voor minder druk en dat is heerlijk. Ik mag weer de mast in en gewapend met camera, kniptang enzovoorts, hijst Hans mij omhoog. Geen probleem en in een dag is de klus geklaard! Toch fijn om te weten of het nu 6bf is of 4bf 😉

 

 

 

 

 

 

We verkennen kort het eilandje Antiqua waar het uitzicht over de oceaan werkelijk schitterend is! Prachtige turquoise gekleurd water. Het ligt er als een juweel onder halogeenlampen te schitteren. Het is de geboorte van mijn wens om mezelf ooit zo’n kleur oorbellen cadeau te doen, als mooie herinnering aan de Atlantische oceaan. Misschien blijven we hier te kort, maar we moeten eind februari op st. Maarten zijn en willen Barbuda ook nog verkennen. Alweer halen we het anker op.

 

De hernieuwde kennismaking met de onderwaterwereld wordt tussen de riffen van Barbuda voortgezet. Vissen van werkelijk de prachtigste kleuren schieten schichtig hun holletjes in als de twee grote monsters met zwemvliezen en snorkelsetje op ze af zien komen. Nog net kan Hans een pijlstaartrog (Stingray) met een staart van twee meter lang filmen en ik weet de kleinere visjes te ‘pakken’. De schildpadden blijken toch niet zo traag als we denken en zwemmen te snel verder om ze ook op de film te krijgen. Het is alweer een hele belevenis!

 

https://www.youtube.com/watch?v=Kv6r7FPqpXw

 

Om iets meer van Barbuda te zien besluiten we met de dinghy naar de wal te gaan. Een stil armoedig dorpje ligt achter een brede lagoon en we slepen de dinghy over het smalle stukje strand om de lagoon te kunnen oversteken. Erg ondernemend is de bevolking niet en na urenlang zoeken naar een busje of taxi om ons naar een bijzondere cove te rijden, geven we het op. Een bezoek aan een vogeleiland blijft over. Het is paringstijd voor de Fregatvogels en de mannetjes zetten hun keel op. Een enorm grote rode zak bolt onder hun snavel op tot een soort van luchtballon en trachten hiermee de vrouwtjes te imponeren. Stiekem grinnik ik om mijn gedachten waarom het bij de mens ook niet zo geregeld is. Je zou direct herkennen wat er zich in die mannelijke grijze massa afspeelt.

 

 

We gaan terug naar de dinghy. Het is altijd belangrijk om voor zes uur je boot bereikt te hebben. Een uur later is het donker en ben je daardoor lichtelijk visueel gehandicapt. We slepen de dinghy weer terug naar de oever van de oceaan. Het water lijkt onstuimiger. Grote brekers komen op het strand af rollen. Het is goed te zien dat het strand niet glooiend de zee in loopt, maar al vrij snel stijl naar beneden gaat. dat is lastig om de dinghy het water in de krijgen. We tellen de brekers. Na twee grote brekers zou het moeten lukken om het water in te gaan. De golven lijken nijdig en niet bereid tot medewerken. Ze produceren een donderend lawaai. Hans telt en bij “JA! NU!” spring ik in de dinghy. Nog net hoor ik “HO!!” Ik zie een golf boven de dinghy en mijn hoofd uit toornen, het bruisend lawaai vult mijn oren en als een willoos vod word ik met dinghy en al opgelift, door de dinghy gesmeten en met een klap kom ik met mijn gezicht tegen de motor aan. Ik hoor water-gebubbel en weet nog net te beseffen dat je ook op deze manier kunt sterven. Een volgende golf duwt me met dinghy en al richting de wal en plots kan ik weer met met hoofd boven water uitkomen. Ik voel aan m’n gebit en constateer dat ik al mijn tanden nog heb. Dat is een geluk! Ik hoor Hans roepen “Laat die dinghy! Laat die dinghy! Kom hier!!” Ik draai om en zie de ravage: de dinghy ligt met motor en al op z’n kop in de woeste zee en lijkt terug de golven in te gaan. Er drijft een tas en een eenzame schoen in het water en op de wal staat Hans. Ik kan de dinghy niet laten gaan, maar dat is een te groot gevecht voor mij alleen. Dan komt er weer een golf en pakt de dinghy op en kwakt hem richting strand. Hans pakt de dinghy en stelt me gerust dat de tas met iPhone, fotocamera, paspoorten, portemonnee door hem is gered. Wat een geluk! En dan proef ik bloed. De klap heeft een nare schaafwond op m’n bovenlip achtergelaten. er hangt een velletje te bungelen. Ik zal het er later wel afknippen. Dat stukje Elise is nu toch al verloren. We rapen de hele handel bij elkaar en proberen zonder succes de motor te starten. dat wordt roeien. De volgende poging om het water in de komen is meer succesvol. Bang om nat te worden heeft geen zin meer en vurig hoop ik dat de diepvrieszak waar ik mijn mobiel en camera in heb gestopt, werkelijk een waterdichte afsluiting is geweest. We roeien een paar meter en dan breekt er tot overmaat van ramp een roeispaan af. Dat wordt tegen de stroom in en nog trager dan traag bij Isabella zien te komen. We blijken een perfect teamtje te zijn met z’n tweetjes en na een half uur kan ik me eindelijk vastklampen aan het trapje van Isabella.

 

Snel ruimen we de dinghy op en check ik de inhoud van mijn rugtas. De iPhone en camera zijn droog gebleven! Hoera!! Ongelofelijk goed nieuws en nooit verwacht! Dan is er tijd voor mezelf en stap ik met heerlijke amandeldouchecrème en shampoo onder de douche, knip het velletje van m’n bovenlip en zet een pot thee.

De volgende dag haalt Hans het motortje uit elkaar en maakt het schoon: overal zit zand! Na een klein uurtje werken doet ie het weer!

“We hebben geluk gehad”, zegt Hans betekenisvol. Dat hebben we zeker. Na een uur ruimen we de kuip op, starten de motor van Isabella en zetten koers naar St. Barths. Het is voor de verandering weer eens een nachtje doorvaren, maar we willen hier weg.

StSt. Barths wordt ook wel het Saint Tropez van de Caribean genoemd en daar is direct alles mee gezegd. Dikke patserige motorjachten, mooie stijlvolle motorjachten, winkels van Cartier, Prada, Rolex enzovoorts. Het blijft dus vooral window shopping, maar op die windows heb ik wel wat DNA van mijn neus achter gelaten! Ik sta figuurlijk met mijn gezicht tegen het glas geplakt en kijk mijn ogen uit naar al dat moois, zie ook foei lelijke dingen, maar ach… heeft niet alles gewoon met persoonlijke smaak te maken? En dan zien we een klein winkeltje met daarachter Italiaans ijs! Daar gaan we natuurlijk wel naar binnen! En dan? Op naar St. Maarten. Daar zullen we na bijna twee jaar René & Brigit uit Boxtel weer zien. Zij zijn in 2015 met SY Blue Spirit vertrokken en genieten sindsdien al meer dan een jaar van het Caribisch gebied. Wat heerlijk om oude vrienden tegemoet te varen! Zin in! De Brabantse en Boxtelse vlaggen worden alvast gehesen!

 

 

Translate »