Bequai

 

Wanneer we Admiralitybay in Port Elisabeth op het eiland Bequia naderen is het al vrij snel duidelijk dat we ook hier weer in een ansichtkaart van een tropisch eiland terecht zijn gekomen. Het eiland ligt er prachtig bij met zijn brede baai, omzoomd met gekleurde huisjes en palmbomen.
“Je raad nooit wie hier ook liggen!”, zegt Hans al turend op de AIS.
“Geen idee!”, zeg ik, en eigenlijk interesseert het me ook niet zo.
“Die fransen! Ze liggen hier 100 meter bij ons vandaan!”
“Dan gaan we ergens anders liggen”, zeg ik chagrijnig.
Ik heb vandaag geen zin om te ‘socializen’. Morgen weer. Het is al tegen vijven en ik wil genieten van de late warmte, het uitzicht, het water, mijn lief, van mijn boek en een kop koffie waarvan de inhoud niet over de rand klotst. Gewoon even relaxen na een dag zeilen om daarna weer in de keuken te zweten voor een pan toekomstig maaginhoud.
“Nee!! Dat meen je niet!! Zulke lieve mensen!!”
En dat is ook zo. We hebben nog niet eerder zulke aardige fransen ontmoet. Niet op de skipistes en niet in alle havens en baaitjes die we tot nu toe hebben aangedaan. Het was ergens in Vigo dat we hen voor het eerst ontmoetten en er een ‘klik’ was. Helemaal leuk was het toen bleek dat we beiden de Atlantische oceaan zouden oversteken en afspraken werden gemaakt om vooral het contact niet te verliezen. Na een paar maanden en wat omzwervingen troffen we elkaar weer, zaten weer uren te borrelen, grappen te vertellen en te genieten van heerlijke hapjes. Het zijn schatten. Ik moet niet zo zeuren en lelijk doen!
“Oké, laten we dan dáár gaan liggen”, zeg ik en wijs een mooi leeg plekje aan. Toch is Hans niet helemaal tevreden over de ankerplaats en halen we na tien minuten het anker alweer op.

 

 

“Teveel op de wind. Dan liggen we weer de hele nacht in ons bed te schudden!”, zegt hij.
Ik zucht en neem weer plaats achter het stuurwiel om zijn instructies op te volgen.
“Wel opletten!!”, roept Hans vanaf de voorplecht. Hhhm… dat doe ik toch? Het is anders best lastig sturen zo in die branding.
“Ik wil niet te dicht bij de kant!!”, roep ik. Grote golven rollen richting het strand en ik zie het al helemaal gebeuren dat ik de controle over Isabella verlies en we regelrecht op het strand af stevenen om daar met een smak om te slaan. Hans geeft op tijd een andere richting aan. Meer temidden van andere schepen die voor anker liggen. Oké, daar gaan we dan! En dan zie ik ze in de dinghy aan komen stormen. Een fontein aan opspattend water achter zich latend. Het ding hotst en botst over de golven richting Isabella.
“Allooo Isabella!! Allooo!! Auw aarrr you??” roept de fransman met een big smile. Zijn zoontje zit naast hem.
“Hello!! What een big surprise!”, roepen we in koor terug.
“I saw you on the AIS! Do you like lobster?”
Ik weet zo 1-2-3 niet wat ik zeggen moet. Lobster? Ik heb ooit in Miami een scharrelende lobster ter dood veroordeeld om hem na een kokend bad, smakelijk naar binnen te proppen. Bij elke hap werd de weerstand om dit dier te eten groter. Daarna heb ik gezworen dat ik nooit meer lobster zou eten. Tė zielig voor woorden! Maar ik wil de pret niet drukken en vind het weer zo onwijs vriendelijk dat we worden uitgenodigd voor een etentje!
“Yes of course! We love it!!” roep ik hem toe. Hij vraagt of ik een heel grote pan heb om het beest in te koken, maar nee, daar kan ik hem niet aan helpen. Stel je voor…. Na een tijdstip te hebben afgesproken keert hij om en laat zijn zoontje de dinghy besturen. Het knulletje doet het goed! ‘Jong geleerd – oud gedaan’, zeggen we tegen elkaar.

 

 

Het is alweer een geweldige avond zo samen met deze bijzonder lieve mensen. Bij gebrek aan een grote pan, wordt de ene na de andere lobster door de fransman met een machete door midden gehakt. Het is een gruwel om te zien en ik twijfel ernstig of ik me niet misselijk zal veinzen. Moet ik dit echt eten? De gastvrouw bestrooit de lobsters met heerlijke kruiden en legt ze op de barbecue om te garen. Dan gaan we aan tafel, ik ook…

De wijn smaakt goed en de gesprekken zijn weer als vanouds. Het zoontje geniet mee, ook al is hij de engelse taal nog niet machtig. Laat, maar veel te vroeg nemen we tot de volgende ochtend afscheid. We nodigen ze voor de volgende ochtend uit op Isabella.

 

 

Met verse koffie en huisgemaakte appeltaart op Delfts blauwe bordjes geserveerd, nemen we voor de laatste keer de vermoedelijke scheepsroute door tot het gesprek een wending krijgt naar het onderwerp ‘Waar gaan we later wonen’. De fransen zijn gek van Vigo, evenals Hans. Ik ben de enige tegenstander. Ik kies voor Nederland. In een baldadige bui pak ik drie lucifers en knak er eentje doormidden. De fransman houdt ze achter zijn rug vast en laat ze dan weer zien. Ik mag als eerste kiezen. Ik aarzel, overweeg en kies. Dan bulderen ze alledrie van het lachen: ik trek aan het kortste eind. Drie volwassenen die blij zijn dat de toekomstige residentie Vigo zal worden. Tja… voor nu dan even misschien.
Dan is het tijd om afscheid te nemen. Zien we elkaar ooit weer? Niemand weet dat zeker en al helemaal niet in de zeilerswereld. Daar is niets zeker. Zelfs niet in Vigo.

 

 

 

Wordt vervolgd!

 

Discriminatie

 

 

 

 

Het sinds een paar jaar in september terugkerende onderwerp ‘Zwarte Piet’ ligt (gelukkig) alweer een poosje achter ons. Dat het onderwerp nog niet tot een volledige consensus voor alle partijen is gekomen, mag duidelijk zijn en zal de discussie waarschijnlijk aanstaande september door de eerste pepernoten in de schappen weer opbloeien. Toch bevreemd mij deze discussie en tijdens de reis word ik telkens daaraan herinnerd. Discriminatie, waar dient het toe en sterker nog: waar leidt het toe?
Hoe zuidelijker we met Isabella de landen verkennen, hoe donkerder de mensen worden. Dat begint al in Spanje. De invloeden van Afrikaanse landen op de Portugese bevolking worden daar nog duidelijker. Langzaamaan verandert dan ook de cultuur en het tempo van het dagelijkse leven, en dat is mooi om te zien en te ervaren. Mensen leven meer op straat en de familiebanden lijken steviger dan bij ons, de blanke Noord-Europeanen. Je ziet mannen en vrouwen elkaar de hand schudden en omarmen, ja een enkele keer zelfs met de vingertoppen een kruisje slaan om hiermee direct daarna de lippen aan te raken.
Het was op Kaapverdië waar ik door een Kaapverdiaan met een donkere huid voor de eerste keer geconfronteerd werd met een discriminerende opmerking over een medemens met ook een donkere huid. Hij adviseerde ons niet naar een bepaald eiland te gaan, omdat daar geen betrouwbare mensen wonen. “Black people, much different like us”, zei hij. Ik vroeg me af waarom hij dit zo nadrukkelijk uitsprak en beeldde me in dat er niet zoveel verschil zou zijn tussen zijn huidskleur en die van de mensen op dat andere eiland.

 

Het gesprek was inmiddels al bij een volgend onderwerp en dus liet ik mijn bedenkingen bij de opmerking maar voor wat het was: een opmerking.
En dan was er de gids die verklaarde dat heel vroeger op het eiland alleen maar blanke mensen woonden en dat door de invloed van de slavernij hij nu een donkere huidskleur had. Anders zou hij ook blank zijn geweest. Alweer verbaasde ik me: was dit een excuus? Dat is toch onzin? Wat maakt het uit welke huidskleur je hebt?

 

We voeren naar andere eilanden en de mensen werden donkerder van huidskleur en ook kleiner. Ik voelde me een echte bleekscheet en besefte dat ik vanwege mijn huidskleur en lengte voor de plaatselijke bevolking een opvallend figuur moest zijn. Ik vond het dan ook grappig dat sommige vrouwen, met een lengte van ongeveer 150cm, mij met enige verbazing aankeken en dan mompelend voorbij liepen. Ja, zelfs een stap opzij zetten. Ik speek de taal niet, maar kon er wel uit begrijpen dat ze mij toch wel erg ‘Huge’ vonden. En gelijk hebben ze. Tegelijkertijd besefte ik me hoe het voor de mensen met een donkere huidskleur moet zijn in een land met overwegend ‘bleekscheten’: je voelt je anders. Je voelt je een uitzondering, een buitenstaander en dat is toch niet wat je wil. Je wilt aansluiting en één van ‘hen’ zijn. Ook al is het maar voor even.

 

 

Een vriendelijk woord, altijd beleefd blijven, mensen aankijken en op tijd weer de andere kant opkijken, zijn sleutelbegrippen voor een mooi contact met mensen uit ‘den vreemden’. En dat contact wil ik graag en zoek ik ook op. Ik zag mijn kans schoon toen bleek dat niemand van onze groep naast de chauffeur van het busje ging zitten. De stoel bleef leeg, terwijl je daar achter die voorruit toch het mooiste plekje van de bus hebt en belangrijker nog: contact met een bewoner van het eiland! Snel vroeg ik dan ook of iemand interesse had om naast de bestuurder te zitten.

 

 

De stoel naast de chauffeur werd deze dag voor mij en kreeg ik gedurende de dag een schat aan informatie over het eiland en de bevolking. Een paar dagen later was ik op weg naar de supermarkt en iemand riep mijn naam. Het was de chauffeur. Hij stak zijn hand toe, vroeg hoe het ging en wenste mij nog een mooie dag. Hoe mooi kan het contact tussen verschillende type huidkleuren zijn, tussen mensen zijn!! Als je maar interesse in de ander hebt en daar heb je de ‘Zwarte-Piet’ discussie niet voor nodig.

 

 

 

Blauwe en Roze Taken

Opgewekt steken we met z’n drieën de drukke rijbaan over. Behalve dat ik de supermarkt heb geplunderd, wil ik nog meer ‘producten’ scoren. Ik wil namelijk weten hoe aan boord van andere zeilschepen de taken zijn verdeeld. ’Kun je ook zeilen?’, vraag ik aan Tina. ‘Nee, ik kan niet zeilen en dat wil ik ook niet. Ik kan weer andere dingen!’, zegt ze lachend en ik bespeur zelfs een beetje trots. Ik geloof mijn oren niet en mijn mond valt open van verbazing. ‘Kun je echt niet zeilen??’, vraag ik nog eens.
‘Nee, je hebt roze taken en je hebt blauwe taken. Ik doe alleen de roze taken’, verklaart Tina stoer.
‘We hebben de taken gewoon verdeeld en we voelen ons daar goed bij. Ik regel alles wat met proviand en voorraad te maken heeft plus de andere huishoudelijke taken. Joep gaat natuurlijk wel mee om die zware boodschappentassen te dragen, want dat lukt mij niet alleen’. Niets in haar resolute houding doet mij twijfelen aan wat ze beweert. ‘O-ja, ik zet ook de routes uit op de plotter’, vertelt ze vrolijk door.

 

Joep loopt met de opgetopte boodschappentas naast me en ik kijk hem onderzoekend aan, op zoek naar bevestiging van wat Tina zojuist beweerde. ‘En jij?’, vraag ik aan Joep. ‘Ik kan wel zeilen’, grapt Joep met een brede smile op zijn gezicht. Ik schiet in de lach. Die droge humor van Joep vind ik zo leuk! Maar ik wil eigenlijk weten of hij het niet jammer vindt dat Tina niet kan zeilen. Je zeilt tenslotte toch samen op je schip en bovendien zijn ze van plan om de wereld te omzeilen. Dat houdt ook in dat je moet wacht lopen en dus alleen in de kuip zit en het schip moet besturen. ‘Hoe gaat dit dan als Tina niet kan zeilen en toch de wacht gaat lopen?’, vraag ik me af en stel de vraag aan Joep.
‘Ach, gewoon, we helpen elkaar en dat gaat heel goed hoor!’, antwoordt hij en pakt met zijn andere hand de de zware boodschappentas over.
‘Joep houdt zich bezig met de taken die met de boot te maken hebben. Dus zeilen en de technische dingen en zo’, verklaart Tina verder.
‘En wat als hij je hulp nodig heeft? Wat doe je dan op het moment dat jij met je handen in het gehakt staat te roeren?’, vraag ik door. ‘Dat hangt er natuurlijk van af of het dringend is, maar in principe help ik wel direct en moet het gehakt even wachten’.
Niets lijkt Tina vreemd in de samenwerking tussen man en vrouw aan boord. Ze zijn ook al zo lang samen en het loopt allemaal soepeltjes en gesmeerd, zolang de codes ‘blauw en roze’ maar worden gerespecteerd.
Ik kan me wel iets voorstellen bij deze uitdrukking. Hans is erg ‘blauw’ en laat de roze taken aan mij over, terwijl ik niet afwerend tegenover ‘blauwe taken’ sta en elke dag mijn roze taken zonder morren op me neem.

Ik vraag me af hoe Hans en ik het stadium van Joep en Tina gaan bereiken en wat we daar voor nodig hebben. Is dat ook minstens tien jaar? Want dan hebben we nog eventjes te gaan! Er zal flink gecommuniceerd moeten worden. Of is dit een tė roze houding van mij? Die blauwe Hans van mij houdt immers meer van ‘denken en doen’ en niet teveel kletsen. Het lijkt alsof Joep mijn gedachten leest en geeft me een bemoedigende klop op mijn schouder. ‘Komt allemaal goed. Maak je geen zorgen’, zegt hij.

 

 

“Schat, morgen ga je de mast in, oké? Denk je dat het lukt?”, zegt Hans. Bij deze typisch blauwe taak vraagt Hans altijd om mijn hulp. De windmeter heeft het begeven en er zal op het topje van de mast een nieuwe geplaatst moeten worden. Ik zeg niet direct ‘Ja, oké’. In plaats daarvan gaan mijn gedachten terug naar een ver verleden waar het onderwerp ‘Blauwe- en Roze taken’ nog niet ter discussie stond, omdat man en vrouw automatisch hun ‘eigen kleur’ oppakten. Het was de tijd waarin vrouwen, eenmaal getrouwd, hun BBB (betaalde-baan-buitenshuis) vaarwel moesten zeggen. Vanaf dat moment was je huisvrouw, hield je bij je echtgenoot je hand op om de boodschappen te kunnen betalen, kocht je het vlees wat hij lekker vond en vervulde je alleen nog roze taken. De tijd van de huiskamers met het eikenhouten bankstel wat een leven lang mee zou gaan met tegen de muur de bijpassende buffetkast. Langzaam is die tijd opgelost en zijn de (huishoudelijke) taken verdeeld. De ‘Purperen-tijd’ brak aan. Maar hoe was het in die tijd aan boord van schepen? Oké, we kennen de uitspraak ‘Een vrouw en een kip zijn de pest voor het schip’. Maar is dit werkelijk zo? Kunnen die stoere blauwe mannen wel alle roze taken goed uitvoeren? En met ‘goed’ bedoel ik: volgens de maatstaven van een vrouw? Hmmm… sommigen misschien. En de zeilende vrouwen? Liggen die met hun lijf onder het motorblok van een zeilschip? Vast ook wel een aantal. Voor het merendeel zullen aan boord van zeilschepen de blauwe en roze taken toch wel op het bordje van de ‘kleur-eigenaar’ terecht komen.
Hans herhaalt nog maar eens zijn vraag: ‘Morgen de mast in?’. Ja-ja, knik ik. Aan de ene kant voel ik me de stoere zeilersvrouw die zonder schromen naar 18 meter hoogte wordt gehesen. Het vrouwelijk wezen dat dit klusje met gemak zal klaren. Geen hoogtevrees, beetje handig met schroevendraaier en kroonsteentjes. Ik vertel Hans over het gesprek met Tina en Joep. ‘Ach schat, het gaat toch goed zoals wij het doen?’, zegt hij. ‘Maak je niet druk! Zal ik afwassen?’ ‘Nee dat doe ik liever zelf’, zeg ik snel, ‘Dat is echt een roze taak. Zet jij het vuil maar alvast in de dinghy!’, voeg ik er lachend achteraan.

 

 

De volgende dag werk ik aan mijn blauwe klus hoog in de mast en geniet vooral van het fabelachtige uitzicht!! Hans weet niet wat hij mist!

 

 

St. Vincent

 

Natuurlijk hebben we van alles gelezen over piraterij en de gebieden bestudeerd waar dit veel voorkomt. De gebieden liggen mijlen ver van ons vandaan; aan de oostkust van Afrika bij Somalië, in de Arabische zee en hier en daar een melding van onrust, zoals bij Venezuela. Elke zeiler, elke zee-ganger, wil piratenrij ontlopen en doet hiervoor zijn best. Driewerf hoezee dan ook voor degene die piratenrij bestrijden! Isabella zeilt in de Caribische zee en dat klinkt toch een stuk veiliger! Maar of het zo veilig is, vragen een aantal zeilers zich toch wel af. Verhalen gaan van scheepje naar scheepje en zoals we weten, verliest elk verhaal zijn oorspronkelijke ‘tekst’, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee: dat zijn wij dus.

We naderen het veelbelovende St. Vincent. Veelbelovend in de zin van “Het aller prachtigste eiland van de Carieb”. Watervallen in het midden van het regenwoud! We zijn benieuwd! We varen langs de lieflijke kust met palmbomen en wit strand met weinig of geen toerisme en willen ankeren in Cumberlanddbay.

 

 

Al voordat we goed en wel bij de kust de gezochte vijf meter diepte om te ankeren hebben gevonden, komt het eerste vissersbootje ons al tegemoet. Met een vriendelijke welkomstgroet bereikt de visser Isabella en roept: “Hello!! How are you today?” “Fine! And how is your day?”, roept Hans terug. De zinnetjes die we op elke nieuwe plaats waar ‘Boatboy’s’ zijn, uitwisselen. Namen worden uitgewisseld en krijgen we van Wesley ‘het beste ankerplekje dat er is’ toegewezen. Met een landvast legt hij Isabella vast aan een palmboom. Daarna daalt het anker in de blauwe zee naar de diepte.

 

Wesley blijkt een aardige man en Hans knoopt een praatje met hem aan. Het is niet onopgemerkt gebleven dat we voor anker liggen. Nog voordat Hans met Wesley is uitgesproken, ‘plakt’ een tweede bootje met twee boatboy’s zich tegen Isabella aan. Samen roepen ze op een dreigende manier naar Hans dat hij vooral naar hen moet luisteren en hun waar moet kopen. Hun ogen verraden de vechtlust die in de lijven schuilt. Hans waarschuwt mij dat ik beneden in de salon moet blijven en me niet meer in de kuip mag laten zien. Duidelijk en beslist wijst Hans de mannen terecht en keert zijn rug naar hen toe. Ze wagen nog één keer een kansje, maar vangen bot. Uiteindelijk druipen ze af, maar worden al snel door andere boatboy’s afgelost die om beurten ook hun koopwaar aan ons opdringen. Bananen, vis, veel te kleine mango’s of kettinkjes met glimmende kralen met bijpassende armbanden. In minder dan twee uur tijd hebben zich elf bootjes aan de reling van Isabella gemeld. We zijn het geleur meer dan beu en hebben zin om ons te verstoppen, maar dat is onmogelijk. We proeven een onaangename sfeer. Dreigend ook, vanuit een ‘toeristen zijn niet welkom’-idee.

Zullen we het anker weer ophalen en doorvaren? De tijd houdt ons tegen. Het is tegen vijf uur en al over een uur gaat de zon onder. We zien het niet zo zitten om in het donker naar een andere ankerplaats te zoeken en al helemaal niet op St. Vincent. Een volgend eiland betekent een nacht doorvaren… We houden het bij ons eerste plan: naar de wal met de dinghy en daar in een strandtentje gaan eten. Maar ja… wat als de dinghy wordt gestolen? Zullen we dan de motor er maar afhalen? En we moeten vooral het heklicht aanlaten, zodat we vanaf de wal Isabella in de gaten kunnen houden. Isabella gaat op slot en we roeien naar de wal.

Het restaurantje is spaarzaam verlicht, maar de bediening is vriendelijk. Ook de eigenaar is een aardige man die ons welkom heet en na een praatje met Hans zich verder niet aan ons opdringt. Dat geeft weer wat hoop. We kiezen een tafeltje waarbij het zicht op Isabella door niets wordt belemmerd en schuiven onze stoelen naast elkaar, zodat we Isabella in de gaten kunnen houden. In het donker zien we haar verlichte spiegel. Daar ligt ze als laatste scheepje in een rij van vier met onze ogen onafgebroken op haar gericht. Zodra de friet, het hoopje sla en de serloin steak in onze magen zijn gedaald, rekenen we af en roeien weer terug naar Isabella. Die nacht zijn we extra alert op elk geluidje en doen bijna geen oog dicht.

Nog voor het eerste bootje zich de volgende ochtend weer aan de reling komt melden en zonder dat we St. Vincent hebben verkend, zijn we al vertrokken.
“Wat vertelde die restauranteigenaar nou gisteren tegen jou?”, vraag ik aan Hans tijdens het ontbijt op zee.
“Nou… weet je wat er precies is gebeurd?”, begint Hans, “En dat is dus een heel ander verhaal dan we hebben gehoord. Vorig jaar is er een Duitse zeiler aan boord door drie locals overvallen. De Duitser heeft één van de overvallers gegrepen en zijn nek omgedraaid. De andere twee zijn gevlucht. De rechtbank heeft hem vrijgesproken: zelfverdediging!”
“Echt waar? Dus niet die zeiler maar de overvaller heeft het niet overleefd?”, vraag ik vol verbazing.
“Juist. En weet je wat die restauranteigenaar zei? Dat hij het niet met de uitspraak eens was. Die Duitser had gestraft moeten worden. Hoe vind je dat?!”
Ik ril. De opnames van de films ‘Pirates of the Caribbean’ op Dominica, St. Vincent etc. hebben hier een prachtig decor gevonden, maar wat een eiland! Wat een volkje! Waar armoede al niet toe leidt! Er bestaan toch een soort van piraten. Jakkes!
We zetten koers naar Bequia. Wat zullen we daar beleven?

 

 

St. Lucia

 

St. Lucia was op 19 januari het eerste stukje aarde dat we na 18 dagen Atlantische oceaan in het vizier kregen. Een prachtig eiland waarvan we direct al wisten dat we het op ons retour naar het zuiden, beslist nog eens zouden aandoen. Nu is het zo ver…

We nemen een mooring bij Soufrière (St. Lucia) en gaan aan wal om de benen weer eens te strekken. Zonder het te weten hebben we een lange wandeltocht voor de boeg waarbij volgens Hans er nooit een “Het-heetst-van-de-dag-moment” is, als ik weer eens zuchtend en steunend de 30% steile helling beklim en mopper dat we beter morgens kunnen wandelen in plaats van pal op de middag. Hans is allang niet meer te bekennen en hier loop ik dan helemaal in m’n uppie langs de tweebaansweg. Er stop een auto en een afgezand van familie zombie krast wat vriendelijke engelstalige woorden en met zijn verschrompelde lippen tovert hij een glimlach op zijn gezicht. Ik begrijp eruit dat hij mij een lift wil geven. Ik bedank hem vriendelijk en schuifel door, mijn camera in mijn rechter hand en links het pet-flesje water. Zo eentje waar de oceaan en de bermen op Montserrat vol van liggen. Zombie kijkt me niet begrijpend aan en trekt zijn vehikel op in de eerste versnelling, een dikke rookpluim achterlatend.

 

 

 

 

Ik voel me een oude dieselmotor wanneer ik merk dat de vermoeidheid in mijn benen wegebt en ik mijn snelheid verhoog. Daar is Hans alweer. Hij zit op een grote kei en geniet van het uitzicht. “Ha schat! Kom je ook even lekker zitten?”, vraagt hij. Zou hij weten dat ik er met een zombie vandoor had kunnen gaan? Of dat ik wel eens door zombie ontvoerd had kunnen worden? Maar ach nee, de mensen hier zijn super vriendelijk en je komt niet 1-2-3 van zo’n eiland af. Geen zorgen dus. Ik zoek naast Hans een glad stukje kei op en ga zuchtend zitten. Wat een klim! Zo om me heen kijkend bedenk ik me dat moeder aarde toch vreselijk mooi is! De spitse Deux Pitons zijn werkelijk schitterend zoals ze daar aan de kust uitkijken over de Caribische zee! Dit is een World Heritage Patrimonie Mondial gebied. Wat zou Trump van dit landschap vinden? Zou hij ooit wel eens naar dit soort plekjes zijn geweest? Vast niet. Dreinend aan moeders hand wist hij haar mee te sleuren naar die grote snoepwinkel in NY-city: met van die gekleurde bolle snoepjes die zich in een kastje verstoppen en later in een ‘bowl’ moeten jumpen en dat weigeren. M&M’s. Vieze dingen met een hoog gehalte aan smaak en kleurstoffen waar kinderen hyperactief van worden. De eigenaar van het snoep schreeuwt net zolang tot ze dan toch in de bowl vallen. Heeft mr. T. het daar van geleerd? Ach… een gedachtensprongetje, zoals ik er zovelen heb bij het zien van al die mooie landen.

 

 

Hans ruikt zwavel en ziet het bord dat de richting naar de vulkaan aanwijst. Ik ruik niets. Mijn neus is disfunctioneel, ook al zou je dat gezien het formaat niet zeggen 😉 . Het is nog minstens een uur sjokken tegen het bergje op, voordat ik iets in de richting van zwavel begin te ruiken. We zijn in het hol van de leeuw aangekomen: het hartje van de vulkaan. En wat voor een hart! Grote borrelende poelen met grijze dampende en omhoog spattende blubber! Wat een stank! Waar je op Costa Rica bij de vulkaan wordt gewaarschuwd voor de giftige dampen en je daar niet langer dan een half uur mag blijven, is hier op St. Lucia een wandelgebied door het hart van de vulkaan aangelegd en zelfs een bad!! Daarin kun je je insmeren en belooft de gids dat het je wel 10 jaar jonger maakt!! De verleiding is natuurlijk erg groot, maar ik zie er van af. Inhaleren maar mensen! We lopen door! En ongemerkt wordt het langer dan een half uur, want wat er te zien is, heeft zelfs Hans nog nooit eerder gezien. En dat betekent wat! Parkgidsen en -wachters staan de hele dag in deze dampen en ruiken de zwavel al niet meer. Gekscherend zegt een parkwachter dat hij pas merkt dat er ‘vulkaan onheil’ is, wanneer hij de toeristen hard ziet wegrennen.

 

 

hieronder link naar YouTube filmpje

https://www.youtube.com/watch?v=jUDz-UTvXEc

 

Na dit indrukwekkende schouwspel laven we ons met een heerlijk koud local biertje en een warme lunch, en gaan we voor internet naar een barretje. De terugweg naar Isabella is makkie: berg afwaarts 😉
“Gaan we nu wel of niet naar St. Vincent?”, vraag ik aan Hans.
“Je weet wat er over gezegd wordt…”, zegt hij. Tja, dan kun je net zo goed thuis blijven, denk ik. Natuurlijk is het fijn om allerlei goeie raadgevingen te krijgen en waarschuwingen. We zouden niet zonder willen! Maar je moet nu ook weer niet angst op je hals halen zonder eerst zelf je licht op te steken. Of het moeten zeer dreigende voorspellingen zijn…
We zijn nieuwsgierig en zoeken altijd toch naar onze kant van het verhaal. Wanneer Hans absoluut geen goed gevoel zou hebben om St. Vincent aan te doen, dan zou hij dat ook zeker niet doen. Twijfel is er zeker, maar we gaan toch! Op naar St. Vincent!

 

 

Op weg naar het zuiden: Martinique

 

Bij Guadeloupe ankeren we voor een nachtje in Anse de Bouillante en varen we zonder reden, voor de tweede keer dit mooie eiland voorbij richting Martinique. Daar gaan we voor anker in Le Marin.
Bij de gedachte aan de ankerplaats Le Marin komen er beelden voorbij van wel meer dan duizend zeilschepen en scheepjes die daar bemand en onbemand voor anker liggen.

 

 

We komen oude bekenden tegen: de Enjoyster met Peter en Mirjam. Tuurlijk gaan we even borrelen en luisteren naar elkaars verhalen. Peter spant de kroon met zijn gruwelijke ervaring in Baquai. De bestuurder van een dinghy was vanwege zijn koopwaar meer gefocust op de crew van schepen en kwam in botsing met Peter die op dat moment zijn anker controleerde. Met een open gereten kuit waarin het bot te zien was, heeft de waterpiraat Peter naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht.
We knopen dit verhaal goed in onze oren en vanaf dat moment is Hans van plan om nog meer alert te zijn op waterpiraten. We kletsen wat over reisbestemmingen en krijgen het advies om St. Vincent voorbij te varen: daar is een zeiler overvallen. Dat klikt niet goed, maar gebeurd wel vaker. Maar St. Vincent is zo mooi! Wat gaan wij doen? We hebben nog even de tijd om hierover na te denken, maar eerst een auto huren en dit eiland verkennen! Dat is een gouden greep! We hadden niet verwacht dat Martinique zó mooi is! Waar je spreekt over ‘bananen-land’ en daar een bepaalde associatie bij hebt van onderontwikkelde landen waar wel banaan te koop zijn, is Martinique met recht een echt ‘bananenland’! Waar in Nederland buiten de bebouwde kom weilanden zijn te zien, is hier zo ver je blik kan reiken, het land bedekt met bananenplantages. Van de glooiende bananenvelden rijden we geleidelijk het dichtbegroeide bosgebied binnen. Hoge bomen met lianen. Een landschap dat enigszins doet denken aan een tropisch regenwoud. Ergens ontwaar ik een beekje en we stoppen om het eens van dichtbij te bekijken. Een jonge vrouw wast er haar haren en een oudere vrouw heeft haar ondergoed op een kei gelegd en plonst met haar hand het koude stromende water onder haar rokken omhoog. Ze lacht als ze ons opeens ziet aankomen en roept dat wat zij doet heel gezond is voor je ‘onderkantje’. Wij moeten het ook maar eens proberen. We lachen vriendelijk terug. Een stukje verderop staat een Rastaman met zijn kraampje en verbrassen we 8 euro aan een paar leuke oorbellen.

 

 

 

We rijden weer door en wanneer ik eens goed op de wegenkaart kijk, zie ik dat er ergens diep in het dal een psychiatrisch ziekenhuis moet staan. Mijn hart gaat sneller kloppen en herinneringen aan mijn mooie baan in de psychiatrie dringen zich weer aan mij op. Dat ziekenhuis moet ik zien!! Na een drie kwartier durende slingerende weg door de dichtbegroeide bergen komen we in het dal waar een klein bordje naast de weg vertelt dat er een ziekenhuis is. Het woord ‘psychiatrie’ wordt vermeden. is dit bewust? Heerst hier ook nog steeds een taboe op de psychiatrie? Waarschijnlijk wel. Waar niet…. We rijden voorbij een klein wachthuisje waar de slaperige portier naar ons staart en niets zegt. Verveloze lage barakken, kleine vertrekken met shutters waarachter je mensen met mutsen op ziet schuiven. ‘Overbezet’, denk ik. Geen vrijheid, niet naar buiten kunnen, gedrogeerd. Er is één paviljoen met een tuintje. Deze ‘gelukkige’ patiënten kunnen buiten zitten, achter het hek met prikkeldraad, maar wel buiten. Suf zit hij in zijn stoel waar het kwijl waarschijnlijk vanaf zijn mondhoeken op zijn broek valt. De medemens met de zieke geest.
“Weten die mensen nou dat ze hier opgesloten zitten?”, vraagt Hans zich af. Wie zal het zeggen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

mooie weergave blog

voor een mooie weergave van de blog (verhaal) klik je op de titel van het blog, dan opent zich een breed scherm waar je de foto’s optimaal kunt bekijken

Montserrat, alsvliegenvliegenvliegenvliegenvliegenachterna

 

 

Hoewel de pilot toch heel wat moois beloofde, hebben we Nevis links laten liggen. Zeilend langs de mooie langgerekte kust met het goudgele strand waar veel mooie ankerplekjes zijn, kwamen we tot de ontdekking dat het anker hier nergens mag liggen. Dat is een behoorlijke domper en zijn we genoodzaakt om een stuk verderop, tussen dertig andere scheepjes aan een mooring te gaan. Dit gegeven en het feit dat we hier midden in de swell liggen doet ons besluiten om de volgende ochtend door te varen naar Monserrat.

 

Het is ver in de avond als we Montserrat naderen en varen we op het scherm van de plotter en de ogen van Hans die op het voordek staat de baai in. De meeste zeilschepen hebben het ankerlicht aan, maar een enkeling ook niet en dat toont ons direct hoe lastig en vervelend dit voor binnenkomende schepen is. Enkele meters van Isabella vandaan worden we een ander schip gewaar en kan ik nog net op tijd het roer omgooien. Maar niet te lang, want anders varen we tegen een ander schip aan. Het is een kleine baai gevuld met zeilschepen die daar voor de nacht hun onderkomen zoeken. Hans geeft zoals gewoonlijk de richting aan waar naartoe ik moet koersen en een lichte angst bekruipt mij wanneer hij nòg dichter naar de wal toe wil. De swell is niet kinderachtig deze avond. Forse golven rollen richting de kust die nog maar enkele tientallen meters van ons vandaan is. Ze maken een kabaal wanneer ze tegen de rotswand stukslaan. Zo’n geluid ken ik nog van de rotswanden van Saba. Wij zijn nu toch niet aan de beurt??
Hans is een kenner en laat op het juiste moment het anker naar de diepte afdalen: 5.4mtr diep. Dat is mooi.
De volgende dag zien we dat we in een lieflijk klein baaitje liggen en veel andere zeilschepen alweer vertrekken naar hun volgende bestemming. Wij blijven een paar dagen en hebben het plan om eens lekker de benen strekken en het eiland te verkennen! Daar houdt Hans wel van en ja… ik ook.. maar in mijn tempo en niet in de zesde versnelling als je er maar zeven hebt, maar in de vierde of vijfde.

“Wat een vliegen hier zeg!”, zeg ik vol afgrijzen. Als ik ergens een hekel aan heb is het vliegen. Vieze nare ziekteverspreiders zijn het. Een heel legertje zwart gevleugelde monsters met paringsdrift is aan boord geland en zien Hans en mij aan voor mogelijke kandidaten om hun eitjes op te plakken! Ze komen gewoon op ons zitten met hun kleefpoten!
“Ja schat, je moet eens schoonmaken, dan hebben we daar geen last van!”, is het antwoord van Hans waar ik het natuurlijk hélemáál niet mee eens ben!
“Schoonmaken??”, roep ik als door een wesp gestoken! “Hoezo schoonmaken?? Wanneer denk jij dat ik voor het laatst heb schoongemaakt? Gisteren toevallig nog! Het komt door dit eiland, hier zijn gewoon veel vliegen! Ik zal straks de buren eens vragen of zij er ook last van hebben..”, zeg ik beslist.
“Dat zou ik maar niet doen, want ik denk dat zij er geen last van hebben… en bovendien: denk jij dat een vlieg de zee oversteekt om aan boord te komen? Schat, er ligt gewoon ergens iets te rotten waar ze eitjes op hebben gelegd en die zijn nu uitgekomen!”
“Te rotten! Ja hoor! Nou echt niet! Die vliegen komen vanaf de wal met de wind mee!”
Ik laat het er niet bij zitten en de eerste gelegenheid dat ik een andere zeiler spreek, dezelfde dag nog, vraag ik of zij ook last van vliegen hebben.
“Hundreds of them! Terrible!!”, zegt de Canadees. “Oh, nou!! We hebben er wel driehonderd doodgeslagen!”, zegt de Hollander. Zo, ik ben tevreden en doe vergenoegd mijn verslag aan Hans, die het zijdelings ook al wel had opgevangen. “Goh, raar hé? Tja schat, daar doe je niks aan…”, zegt hij. Inderdaad, je doet er niets aan. Maar opeens komt de stem van mijn grootmoeder voorbij: ‘Boenwas verjaagt insecten, daar houden ze niet van’.
Ik pak de Lysol, de Andy en de donkerbruine bijenwas en ‘vermaak’ me deze ochtend door de 12 vierkante meter af te soppen en in te smeren met was en ja, zelfs de salonkussens gaan naar buiten om ze eens stevig met de mattenklopper er van langs te geven en neem in gedachten er ook een paar billen bij 😉 . Het geurt weer heerlijk aan boord, maar de vliegen blijven. Er is maar één oplossing: weg van boord en een lange wandeling maken.

 

Ik laat mijn camera op de boot achter om eens ontdekken hoe het bevalt zonder af en toe een foto te schieten. Het bevalt niet en heb al direct spijt dat het ding nog op Isabella ligt.
Op de wal zien we de openstaande vuilnisvaten en ook de vissers die hun vangst aan de kant van de zee schoonmaken en in mootjes hakken. Dan maar mijn iPhone gebruiken. Het zou jammer zijn als ik al het moois dat we zien niet op de plaat vastleg, want mooi is het zeker!
Hans onderhandelt over een Kingfish en voor nagerekend 15 euro hebben we 5 kilo verse vis. De visser maakt de vis aan de wal schoon, spoelt het kadaver in het zeewater en stopt het in een plastic zak. Hans brengt even snel de vis terug naar Isabella, want wandelen met verse vis aan je middel is geen goed plan! Op de boot scheurt de plastic zak en ziet Hans de mooie vis naar de bodem van de zee verdwijnen! “Shit!!”, roept hij, kijkt razendsnel om zich heen en ziet een paar duikers in een dinghy. Hij weet de mannen te bewegen om de duikflessen weer om te hangen en af te dalen naar 12 meter diepte en met succes! De vis is weer in bezit en wordt snel in de koelkast gestopt. De duikers blij met een fles Schotse single malt die we voor 25 euro vanuit Nederland hebben meegenomen 😀 . De vis wordt duur gegeten 😉 Maar het leven is mooi en we starten onze wandeltocht.
Wat een steile, dicht begroeide dalen die opbollen tot immense bergtoppen! Maar ook: wat een armoede en wat een viezigheid in de bermen! Afval dat al maanden ligt te rotten met plastic dat er verschrompeld tussendoor zwerft. Hier komen dus die vliegen vandaan, van het visafval, de open vuilnisvaten en het zwerfvuil. Waarom gooien mensen hun zooi in de berm? Waarom zorgt de overheid niet voor deze troep door bijvoorbeeld een soort van HALT-project in het leven te roepen. In Nederland klaart dat een hoop klusjes…

 

 

 

We ontdekken een klein museum en gaan eens kijken. Het vertelt veel over de geschiedenis van de vulkaan Soufrière en daar is zelfs een film over te zien. In 1992, na een lange tijd van ‘rommelen’ kwam de vulkaan tot uitbarsten en heeft het zuidelijk deel van Montserrat inclusief de hoofdstad Plymouth compleet verwoest. De uitbarsting is te vergelijken met die van de Vesuvius. Bewoners werden naar andere eilanden geëvacueerd of gingen naar hun familie in een veilig gebied. Een enkeling bleef op zijn land werken. Dit hele gebied is nu afgezet en verboden terrein. Ook volgens taxichauffeurs kunnen we er zelfs lopend niet komen. Op de film zien we dat alleen de kerktoren boven het puin en de as uitsteekt. Er is veel van het land verloren gegaan, vliegveld, landbouwgrond en noem maar op. Het is een zeer indrukwekkende film en bij het verlaten van Montserrat, varen we zo dicht mogelijk langs de kust en overschrijden we zelfs een tikje de waterlijn waarachter geen schepen mogen voeren. We zien restanten van huizen, opzichzelfstaande muren en ingestorte daken. Er hangt een grauwe wolk boven de vulkaan en nog altijd is de geur van zwavel van verre te herkennen. Langzaam varen we door en laten Montserrat gehuld in grauwe wolken achter ons om verder onze heenweg in omgekeerde richting te volgen. De eilanden waar we op de heenweg hebben geankerd, laten we nu voornamelijk links liggen en het lijkt wel of we zo alweer op de mooiste plekjes op aarde komen. Hoeveel ‘mooiste plekjes’ zullen er nog komen?

 

 

 

St. Kitts: “Broodje aap?”

 

 

 

St. Eustacius varen we voorbij. Saba heeft zo’n onuitwisbare indruk op ons gemaakt, dat een volgend eiland van de Nederlandse Antillen daar vast niet tegenop kan. Bovendien lijkt het ons daar qua natuur een stuk saaier, valt er lastig tot niet te ankeren en is bovendien op dit moment niet echt te bezeilen. Wel als het moet natuurlijk, maar niets moet toch tijdens deze reis? We koersen naar St. Kitts. Wie heeft deze naam bedacht, die zoveel herinneringen oproept aan de jaren zeventig, toen een populaire begroeting hetzelfde klonk: “Alles kits?” waarbij een enkeling de ondeugende gedachte toevoegde: ’Achter de rits?’ We gaan het ontdekken of het daar wel of niet ‘kits’ is.
In het donker varen we een grote baai in die in de pilot staat aangemerkt als een goede ankerplaats met weinig hinder van de swell. Er liggen geen andere schepen en dat laat ons wel even twijfelen of we hier zullen ankeren, maar we gokken het er op.
De ankerbaai verdient niet echt de schoonheidsprijs. Oude loodsen en containers en geen man of kip te bekennen. En geen kip, dat wil wat zeggen in deze regionen. Overal lopen kippen los. Soms met wel acht kleine kuikentjes, of drie wat grotere kuikens. De overigen zullen vast door de ratten of zwerfhonden zijn opgegeten.
We gaan de wal op, op zoek naar het immigratiebureau om in te klaren. Op elk nieuw eilandje moet je opnieuw inklaren. Soms voor niet meer dan twee euro (St. Maarten aan de Franse zijde) soms ook voor 10 of nog meer. Het is in ieder geval een verplicht onderdeel bij het aandoen van een nieuwe bestemming.

 


Wanneer we ingeklaard zijn, zoeken we een monteur om de versnelling van onze nieuwe 6pk motor te repareren. Saba laat op deze manier nog even van zich ‘horen’. Hoe Hans het toch altijd fikst weet ik niet, maar binnen vijf minuten heeft hij Marvin gevonden. Een ‘local’ met een auto en elke dag op zoek naar een inkomen. Wij en Marvin hebben dus geluk! Hans rijdt met hem mee naar de man met het juiste gereedschap. Niet de Yamaha dealer, maar dat zal de reparatie alleen maar voordeliger maken. Ondertussen onderhandelt Hans met Marvin over een toer rond het eiland en komt op een mooi prijsje uit dat de helft is waarmee het onderhandelen begon: EC$ 120 wat nu neerkomt op 40 euro voor een hele dag toeren.

 

 

Op weg naar de afspraak met Marvin lopen we langs opspattende schuimkoppen van de Caribische zee en zien we een volkje pelikanen. Het is een prachtig schouwspel om de vogels één voor één hoogte te zien maken om zich daarna met een vliegende vaart in de zee te storten, op zoek naar de vis die ze zojuist nog voorbij zagen zwemmen. De jonge pelikanen vliegen dan snel naar de ouder toe om het visje uit de bek te scheppen. Het gaat zo snel dat mijn camera het amper kan bijhouden. Volgens Hans ben ik gewoon te traag en moet ik vooral doorlopen. Met elke nieuwe ervaring, elk nieuw beeld denk ik “Wanneer ga ik dit weer zien? Krijg ik dit ergens anders nog te zien?” Ik ben gretig in het opzuigen van nieuwe indrukken en beelden die zich voor mij afspelen. Ik kan me er zo in verliezen en zo van genieten, dat al het andere naar de achtergrond verdwijnt. Hoe zorgeloos is dit bestaan en hoe uitverkoren mag ik me voelen dat ik dit mag meemaken? Oké, we hebben er ieder hard voor moeten werken en sparen, net als de meeste andere zeilers, maar je krijgt er zoveel voor terug! Wat is de wereld toch prachtig!

 

 

 

We stappen bij Marvin in de auto, een oude SUV waar de bekleding vermoedelijk ooit donkerblauw was en er in het begin nog functionerende zonneschermpjes voor de bestuurder en bijrijder zaten. Ik heb verzuimd om naar het profiel van de banden te kijken en ik probeer mezelf gerust te stellen met de gedachte dat dit misschien maar beter is ook. Nadenkend over deze conclusie, begin ik aan mijn verstand te twijfelen en zet m’n denken op dat gebied dan ook direct op ‘Stop’. Dat is voor nu even beter. Gelukkig doen de autogordels het wel en bedenk ik dat ook Marvin vanavond vast wel weer bij zijn vriendin op de bank wil hangen. Geen zorgen dus.
We genieten van de glooiende landschappen met in het midden daarvan de vulkanische bergtoppen en het uitzicht op zee waar ooit de magma van de vulkaan tot stilstand kwam.

 

 

Marvin blijkt een prima gids te zijn die heel wat over de oude engelse geschiedenis van St. Kitts kan vertellen. Veel behelst de komst van de slaven en de vele suikerrietplantages. Hij brengt ons naar een van de plantages waar we uitstappen en rondlopen door de voormalige stokerij. Het maakt een diepe indruk op me en kan maar moeilijk loskomen van de gedachte dat ik nu hier als toerist me zit te vergapen aan het materiaal en aan de gangen waarin de slaven werkten, aan het vele leed dat de slavernij met zich meebracht. Een foto van een slaaf die gestraft werd door middel van doorwerken met rond zijn nek een soort van driehoekige ijzeren klem die zo breed als zijn schouders was, maakt me nog kleiner dan ik me al voel. Vreemd dat een gebied waar zoveel onderdrukking van de mens was, door blanken zoveel pijn en verdriet werd toegebracht aan die mens (waarvan men toen overtuigd was dat donkere mensen niet tot het ras ‘mens’ behoorde), nu een toeristische attractie is. Ik weet niet of ik wel zo’n toerist wil zijn. Ik weet dat ik niet zo’n toerist wil zijn, en ik weet zeker ook Hans niet. We staan in ieder geval altijd stil bij dit leed en vergapen ons niet als leeghoofden aan enkel en alleen de gebouwen waar riet werd omgetoverd tot rum.

 

 

 

We hebben om een authentieke lunchgelegenheid gevraagd. “Good and cheap?” vraagt hij. JA-JA!! Zoiets bedoelen we. Geen Burger King, maar een lokaal tentje ergens langs de kant van de weg. Marvin grijnst! Hij weet de beste lunchplek van heel St. Kitts en zal ons daarmee kennis laten maken. We zullen vast nog nooit zo lekker hebben gegeten, belooft hij ons. Onze speekselklieren beginnen al te werken wanneer we aan de heerlijk gekruide gerechten denken die we zo gewend zijn van ‘aan-de-kant-van-de-weg-tentjes’. “You want monkey?” peilt Marvin nog eens. “Monkey?? NO!!” Monkey is delicious volgens Marvin en elke St.Kitteriaan (noem je ze zo?) eet wel een keer per week monkey. Verschrikkelijk! Nou, wij niet. Het deed me denken aan het verhaal dat decennia geleden rond ging over een Nederlands echtpaar dat in gezelschap van hun hondje een rondreis maakte door China. Met veel handgebaren maakten ze in een restaurant duidelijk dat ze ook eten voor hun hond wilde bestellen. De ober nam de hond mee naar achteren. Het echtpaar vond wel dat de maaltijd lang op zich liet wachten, maar uiteindelijk kwam daar dan het lekkers op een grote schaal. Toen de deksel van de schaal werd gehaald zagen ze hun gebraden viervoeter liggen. Nooit zal ik dit verhaal vergeten. Afgrijselijk! En zo is het ook met apen! Wie eet er in hemelsnaam aap? Op St. Kitts eten ze aap. Er schijnen meer apen dan mensen te leven en dus worden ze gevangen en gegeten. Op straat zie je jongeren lopen met een baby-aapje op hun schouder. Een pamper zorgt dat ze niet nat worden van de aapjes-urine. Waar is hun moeder? Wat is er gebeurd? Toeristen van de cruiseboot laten zich met het arme diertje fotograferen en betalen de ‘eigenaar’. Zo houden ze de verkopers van ‘plezier met een dier’ in stand. Bah! Volgens Marvin is dit juist goed. Het drijft de criminaliteit (inbraken, overvallen) tegen. Het zal wel, maar ik denk er het mijne van. Het gouvernement zou moeten ingrijpen.

 

 

 

Hans bestelt een lokale hap met kip en komt met een enigszins bezorgde blik terug van de bestelling. “Nou, ik ben benieuwd! Het ziet er niet uit hier!” “Is het smerig?”, vraag ik met enige bezorgdheid en prijs me gelukkig dat ik nog wat anti-wormenkuurtjes in de medicijnkast heb liggen. “Nou, dat weet ik niet Ik kan niet in de keuken kijken, maar veel moeten we er niet van verwachten!” We wachten een kleine twintig minuten en kijken rond over de plaats waar Marvin ons heeft gebracht. Een schamele vertoning. Een keet met een overdekt terras waar lange tafels staan met een plastic kleed erover en waar je gezamenlijk op een bank aanschuift. Niks mis mee op zich.

 

 

Dan ontdekken we een soort van kippenren. Klein en nog net niet vervallen. In een hoekje schuilt een klein aapje. Hij zit daar moederziel alleen en snuffelt aan een rotte bananenschil die hij waarschijnlijk de dag ervoor al heeft leeggegeten. Hij pakt het op en likt er nog eens aan om het daarna weer weg te gooien. Het stalen bakje waar vermoedelijk water in heeft gezeten ligt op z’n kop tussen wat grassprietjes. Niets te eten en niets te drinken. Hans vraagt Marvin wat de bedoeling is van het aapje en ik antwoord “For cooking!!” Marvin lacht en beweert dat het louter voor amusement voor de klanten is. Ik geloof er niks van en zeg hem dat het diertje een groepsdier is en het op deze manier vereenzaamt, niet socialiseert en daardoor angstig en ook agressief zal worden. Beter om hem vrij te laten, of wat speeltjes in de kooi te leggen en fatsoenlijk drinken. Marvin grijnst weer. Ik verdenk hem er van dat hij wel monkey op zijn bord krijgt zometeen. Ik pak een appeltje uit mijn tas en breng het naar het arme diertje en onderzoek of er niet ergens een gaatje in het rooster zit dat ik wat wijder kan open pulken. Het zit er niet. Met een triest gevoel kijk ik naar het arme dier en hoop voor hem dat het snel verlost wordt van zijn gevangenschap. Op welke manier dan ook….
De lokale hap was niet te vre….en!!
We hebben St. Kitts wel gezien. Behalve de super mooie ankerplaatsjes Whitehouse Bay en Ballast Bay, was er ‘achter die rits’ van St. Kitts niet veel soeps.

 

 

 

 

Translate »