Op weg naar het zuiden: Martinique

 

Bij Guadeloupe ankeren we voor een nachtje in Anse de Bouillante en varen we zonder reden, voor de tweede keer dit mooie eiland voorbij richting Martinique. Daar gaan we voor anker in Le Marin.
Bij de gedachte aan de ankerplaats Le Marin komen er beelden voorbij van wel meer dan duizend zeilschepen en scheepjes die daar bemand en onbemand voor anker liggen.

 

 

We komen oude bekenden tegen: de Enjoyster met Peter en Mirjam. Tuurlijk gaan we even borrelen en luisteren naar elkaars verhalen. Peter spant de kroon met zijn gruwelijke ervaring in Baquai. De bestuurder van een dinghy was vanwege zijn koopwaar meer gefocust op de crew van schepen en kwam in botsing met Peter die op dat moment zijn anker controleerde. Met een open gereten kuit waarin het bot te zien was, heeft de waterpiraat Peter naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht.
We knopen dit verhaal goed in onze oren en vanaf dat moment is Hans van plan om nog meer alert te zijn op waterpiraten. We kletsen wat over reisbestemmingen en krijgen het advies om St. Vincent voorbij te varen: daar is een zeiler overvallen. Dat klikt niet goed, maar gebeurd wel vaker. Maar St. Vincent is zo mooi! Wat gaan wij doen? We hebben nog even de tijd om hierover na te denken, maar eerst een auto huren en dit eiland verkennen! Dat is een gouden greep! We hadden niet verwacht dat Martinique zó mooi is! Waar je spreekt over ‘bananen-land’ en daar een bepaalde associatie bij hebt van onderontwikkelde landen waar wel banaan te koop zijn, is Martinique met recht een echt ‘bananenland’! Waar in Nederland buiten de bebouwde kom weilanden zijn te zien, is hier zo ver je blik kan reiken, het land bedekt met bananenplantages. Van de glooiende bananenvelden rijden we geleidelijk het dichtbegroeide bosgebied binnen. Hoge bomen met lianen. Een landschap dat enigszins doet denken aan een tropisch regenwoud. Ergens ontwaar ik een beekje en we stoppen om het eens van dichtbij te bekijken. Een jonge vrouw wast er haar haren en een oudere vrouw heeft haar ondergoed op een kei gelegd en plonst met haar hand het koude stromende water onder haar rokken omhoog. Ze lacht als ze ons opeens ziet aankomen en roept dat wat zij doet heel gezond is voor je ‘onderkantje’. Wij moeten het ook maar eens proberen. We lachen vriendelijk terug. Een stukje verderop staat een Rastaman met zijn kraampje en verbrassen we 8 euro aan een paar leuke oorbellen.

 

 

 

We rijden weer door en wanneer ik eens goed op de wegenkaart kijk, zie ik dat er ergens diep in het dal een psychiatrisch ziekenhuis moet staan. Mijn hart gaat sneller kloppen en herinneringen aan mijn mooie baan in de psychiatrie dringen zich weer aan mij op. Dat ziekenhuis moet ik zien!! Na een drie kwartier durende slingerende weg door de dichtbegroeide bergen komen we in het dal waar een klein bordje naast de weg vertelt dat er een ziekenhuis is. Het woord ‘psychiatrie’ wordt vermeden. is dit bewust? Heerst hier ook nog steeds een taboe op de psychiatrie? Waarschijnlijk wel. Waar niet…. We rijden voorbij een klein wachthuisje waar de slaperige portier naar ons staart en niets zegt. Verveloze lage barakken, kleine vertrekken met shutters waarachter je mensen met mutsen op ziet schuiven. ‘Overbezet’, denk ik. Geen vrijheid, niet naar buiten kunnen, gedrogeerd. Er is één paviljoen met een tuintje. Deze ‘gelukkige’ patiënten kunnen buiten zitten, achter het hek met prikkeldraad, maar wel buiten. Suf zit hij in zijn stoel waar het kwijl waarschijnlijk vanaf zijn mondhoeken op zijn broek valt. De medemens met de zieke geest.
“Weten die mensen nou dat ze hier opgesloten zitten?”, vraagt Hans zich af. Wie zal het zeggen.