Vertrouwen in je medemens

Klik op de foto om het geheel te zien

De oorsprong van het elkaar cadeautjes geven, ligt volgens de online geschiedenisbronnen ergens verborgen in een ver heidens verleden. Duidelijker wordt het in de tijd van de Romeinen, die op 21 December een feestdag aan Saturnus wijdden en daar hoorde etentjes bij. Bij zo’n etentje gaf je de gastheer een cadeautje. Dan heb je eind december ook de drie wijzen die uit het oosten kwamen en goud, wierook en mirre aan het kindeke Jezus gaven. Veel later kwam daar ook nog eens Sint Nicolaas om de hoek kijken die vooral begin december kinderen verwende en de Amerikanen Sinterklaas later omtoverde in Santa Claus.

Aan de vooravond van kerstmis 2018 dwalen mijn gedachten af naar het afgelopen jaar. Een jaar vol veranderingen met de bijbehorende emoties. Niet eerder heb ik zo’n roerig jaar achter de rug en vraag me dan ook af waarom de laatste maand van het jaar uitbundig gevierd moet worden, en nog wel met het geven en ontvangen van cadeautjes. 

Om vreugde in mijn hart te voelen geef ik liever cadeautjes, dan dat ik ze ontvang. De blijdschap die de ontvanger ervaart is voor mij goud waard. Daar kan niets tegen op. Maar wat is het mooiste cadeau? Een mooi boek, een gouden hanger, een lekker luchtje, een nieuwe sjaal? Of is het geven van vertrouwen het mooiste dat je kunt geven en ontvangen?

Mijn gedachten dwalen nog verder terug. Ik denk terug aan de tijd dat ik nog als psychiatrisch verpleegkundige op de gesloten crisis afdeling werkte. Ik denk aan mijn collega’s van toen en het prachtige werk dat we als team verrichtten. Ik besluit om een klein stukje met jullie te delen, omdat het zo mooi is wat er gebeurde. Ik heb het verhaal ingekort, de meeste dilemma’s en overwegingen achterwege gelaten, omdat het anders te technisch wordt en het mag niet herleidbaar zijn. Het verhaal geeft wel aan voor welke moeilijke en snelle overwegingen je als psychiatrisch verpleegkundige soms staat en hoe prachtig dit werk is, en hoe anders dan het werk dat ik nu doe als verpleegkundig specialist ggz (mental health nurse practitioner). 

Het is oudejaarsavond in de beginjaren 2000 en de meeste patiënten liggen al in bed. Of ze slapen zal ik straks controleren. De overdracht van de avonddienst is achter de rug en mijn twee collega’s gaan snel naar huis om de champagnefles te ontkurken. Vanaf dit moment ben ik op deze unit de enige verpleegkundige. 

Ik neem plaats achter de PC en log in op het EPD om nog even van alle 12 patiënten de afspraken en bijzonderheden te lezen.

Er wordt op de deur van de teampost geklopt. Ik kijk op, loop naar de deur en begroet hem. Ik besluit om even met hem naar de huiskamer te lopen. Onderweg vraagt hij of de avonddienst heeft doorgegeven dat hij om 24 uur naar de patio mag om naar het vuurwerk te kijken. Ik weet niets van die afspraak en zeg hem dat, maar vertel er bij dat ik nog even alle afspraken zal nakijken.

Ik ken hem. Het is een leuke, innemende knul. Hij is intelligent, welbespraakt en telkens weer vol goede voornemens om zijn verslaving aan te pakken. Als een flits gaat het door me heen dat ik hem moet behoeden voor weglopen. Dat zou echt funest zijn, want over een week vertrekt hij voor een drie maanden durende behandeling naar een speciale kliniek. Daar zal hij een strengere behandeling krijgen met als doel zijn verslaving te minimaliseren, te beheersen en het liefst helemaal af te leren. Hij moet daar wel naar toe! Ik wil dat hij daar naar toe gaat. Ik gun hem zo een gezond en ‘normaal’ leven. Dus vluchten over het hek van de patio kunnen we niet gebruiken. Ik loop terug naar het kantoor en kijk eerst maar even de afspraken na.

Er staat niets in het EPD over toestemming om op de patio naar het vuurwerk te kijken. In de overdracht is het ook niet naar voren gekomen. Liegt hij? Is dit een list van hem? Is hij van plan om over hek te klimmen en zijn vrijheid tegemoet te rennen? Een nep-vrijheid, want wie niet vrij is van een verslaving, is nergens vrij. Klimt hij over het hek? Zal hij dat doen? Wat doe ik met zijn wens? Zijn hoop om naar het vuurwerk te kunnen kijken? Vertrouw ik hem? Is het wel verstandig om een verslaafde te vertrouwen? Een rollercoaster aan gedachten flitsen door mijn hoofd.

Dilemma – situatie: Wie heeft rechten? Wie zijn de betrokkenen? Wie heeft belangen? En wie heeft welke wens in dit dilemma?

Mijn contact met hem is goed, of laat ik mij beïnvloeden? Op de een of andere manier speel ik altijd wel in op zijn gemoed en geef ik hem een stuk vrijheid. Maar wat zal ik nu doen? Durf ik tegen de regel, tegen de afspraak die de behandelaar met het verpleegkundig team gemaakt heeft, namelijk Geen Vrijheden, in te gaan? Ga ik voor de hermeneutische benadering? 

Samen vuurwerk kijken is natuurlijk wel een speciaal moment.

Zijn wens: om 24uur naar de patio.

De wens van mij: goede afweging maken, verantwoord besluit nemen. Uitgangspunt bij afweging: hem naar de patio laten gaan. En zo zijn er in een moreel dilemma nog meer personen / wensen die in de afweging tot een besluit meegenomen moeten worden. 

Ik denk na, heel diep na. Hoe pak ik dit aan? Over 15 minuten is het zover: vuurpijlen en ratelende donderslagen. Over tien minuten wil ik een antwoord hebben van mijzelf.

Mag ik hem meenemen naar de patio en het risico nemen dat hij vlucht? Ik kan natuurlijk aan zijn broekspijpen gaan hangen en op de bodyguard drukken. Maar wat gebeurt er dan? Wat schieten we daarmee op? Niets. Als ik besluit om met hem naar de patio te gaan, wil ik dat het goed en rustig verloopt. Zit deze mogelijkheid er in?

Moet ik mij houden aan de regel ‘geen vrijheden’? Klopt het wel wat ik denk? Ik moet van het goede uitgaan, niet veroordelen. Niet verlangen dat anderen net zo reageren als ik. 

Autonomie:  wat zou ik er van vinden als een collega tegen de regel omtrent de vrijheden in zou gaan? Ik zou het dan vanuit de kant van de collega en de patiënt bekijken. Ik ben iemand die vooral per situatie bekijkt of er afgeweken kan worden van een bestaande regel. Ik ben niet statisch. Een regel helpt mij om de lijn aan te houden, maar beperkt mij niet in het telkens opnieuw nagaan wat de situatie is en daarop mijn besluit te nemen. Ik doe dit snel. Dat moet ook wel op een gesloten crisis afdeling. 

Ik ben verantwoordelijk voor de patiënt, in dit geval dus ook voor hem. Ik moet inschatten of hij deze beperkte vrijheid aankan. Ik moet hem beschermen tegen weglopen. Kan hij op dit moment voor zichzelf deze verantwoordelijkheid nemen? Is hij daar überhaupt toe in staat? Ik moet hem beschermen tegen beslissingen zoals deze! Wat ga ik dan beslissen? Wie is hier nog meer bij betrokken? Natuurlijk de behandelaar. Deze zal ook zeker kritische vragen stellen als hij is gevlucht. Kan ik die beantwoorden? Wel als ik een goede overweging maak en die kan verklaren. Of daarmee mij hachje gered is weet ik niet. Maar is dit belangrijk? Ik schuif dat opzij. Het gaat mij nu om de patiënt.

Wat als hij vlucht en naar zijn vrienden gaat? Breng ik die vrienden in een moeilijke situatie? Dit kan ik maar beperkt inschatten, omdat ik de vrienden niet ken. Mogelijk zijn zij ook verslaafd, misschien ook niet. Hoever reikt mijn verantwoordelijkheid in deze? Ik volg mijn gedachte dat die vrienden goed voor zichzelf kunnen zorgen. 

De middenstanders: wat als hij op het dievenpad gaat? Tja, dat zou hij kunnen doen, maar misschien ook niet. Ik besluit om mij niet door dergelijke vragen te laten beïnvloeden. Dit zijn angsten, gebaseerd op vragen die onbeantwoord blijven. Ik wil mij niet laten leiden door angsten. 

Naast gedrag, respect, integriteit, autonomie, gezondheid, samenwerkingsbereidheid en gezondheid (allemaal items die afzonderlijk in een moreel dilemma moeten worden meegenomen) gaat het zeker ook om vertrouwen: op basis van vertrouwen kan tussen hulpverleners en patiënten een samenwerkingsverband volgen. Dat vergt een evenwicht tussen afstand en nabijheid. Samen zoeken naar een compromis. Onduidelijkheden bespreekbaar maken. 

De verpleging bouwt mee aan vertrouwen door duidelijke grenzen te hanteren en op die grens altijd bereid te zijn om in de onderhandeling te gaan, wat niet wil zeggen dat daarmee altijd afgeweken wordt van de grens.

Ik merk dat ik neig om met hem naar de patio te gaan. Maar waarom denk ik dat? Ik wil ook met hem naar de patio, dat gun ik hem. Maar hoe kan ik dat op een zo verantwoord mogelijke manier doen? Welke waarden en normen spelen hoofdzakelijk een rol?

Wat het beste is, is voor alle betrokkenen vanuit hun standpunt gezien, verschillend. Voor mij is het belangrijk dat ik op dit moment de best mogelijke zorg bied en zoveel mogelijk in de wens van de patiënt meega, hierin meenemend alle wensen en besluiten van de zorgverleners rondom deze casus. 

Als ik hem meeneem naar de patio, dan ben ik geheel verantwoordelijk voor wat er gebeurt. Hij zou kunnen vluchten. Kan ik hem meenemen naar de patio?

Als de verpleegkundige die de beslissing moet nemen zal ik, wanneer hij vlucht, met al het voorgaande geconfronteerd worden. Hoe zal ik mij daarbij voelen? Wat zijn de consequenties? Wat gebeurt er met de samenwerkingsbereidheid, het vertrouwen en het respect tussen alle betrokkenen? Ben ik nog integer? Ook bij deze vragen geldt weer: het is afhankelijk vanuit welke positie/betrokkene je het bekijkt.

In het ergste geval krijg ik een berisping. Heb ik dat er voor over? Ik denk het wel.

Niet eenvoudig allemaal. Wat ga ik beslissen?

Alternatief zou zijn dat we binnen blijven en voor het raam gaan staan. Ook zou ik nog een collega van een andere afdeling kunnen vragen om even te komen voor assistentie, maar dan zijn de patiënten daar alleen en dat kan niet. Ik zou ook ‘gewoon’  nee  kunnen zeggen. Wat doe ik?

De tijd dringt en ik kan niet meer overleggen. Op alle voorgaande overwegingen neem ik een besluit. Ik besluit dat hij het moment van de jaarwisseling volgens zijn wens mag beleven. We gaan naar buiten, we gaan naar de patio. Het feit dat hij al lange tijd opgenomen is en verstoken van familie en vrienden, het graag direct willen zien / ervaren van het vuurwerk, geen glaswerk ertussen, en het horen knallen ervan, daarmee toch eventjes van een stukje vrijheid/autonomie genieten, het vertrouwen dat ik in hem heb, doet mij besluiten om in zijn wens mee te gaan. Ik kan mijn keuze verantwoorden. Ik loop naar zijn kamer om het hem zeggen.

Daar zie ik hem zijn schoenen en jas aantrekken. Iets in hem doet mij vermoeden dat hij over het hek zal vluchten. Wat is dan wat ik zie? Hij is verheugd, zijn bewegingen lijken op die van het voorbereiden van een vertrek. Hij checkt of hij ‘alles’  heeft door in zijn zakken te voelen en zijn kamer rond te kijken. Vreemd: hij kent nog niet mijn besluit!

Ik vraag het hem nog een keer: “Hey, ben je van plan om over het hek te vluchten?”. Hij lacht. Nee, natuurlijk niet. Ik ken hem toch? Zoiets zou hij nooit doen! Hij wil ook naar de afkickkliniek voor die behandeling. Vluchten zou hem alleen maar schaden.

We kijken elkaar een aantal stille seconden lang aan. “Weet je…. Ik sta in tweestrijd of ik je wel mee zal nemen naar de patio”, zeg ik (Openheid). “O, nee Elise, dat meen je niet? Echt joh? Je kunt me toch vertrouwen? Ik ga echt niet weg!!” (Samenwerkingsbereidheid). 

Ik kijk hem aan en benoem wat ik zie en zeg: “… weet je…. het zou mij echt aan het hart gaan als je er vandoor gaat. Ik gun je zo het herstel!”. (Empathie, aandacht)

Hij kijkt me aan, weer seconden lang en weer is het stil. Zijn gezicht is veranderd van licht opgewonden naar verbaasd. Hij lijkt te denken: “Neemt ze mij serieus?”  

“Ja, ik meen het! Kan ik op je vertrouwen? Dan steek ik nu mijn nek voor je uit”.

Ja, ik kan hem vertrouwen (Respect, vertrouwen, samenwerkingsbereidheid).

Om klokslag 24uur staan we samen in het aardedonker door de hoge kale bomen naar het gekleurde vuurwerk te kijken dat vanuit felle lichtpunten uit elkaar spat.

Slot:

Ik vergeet niet dat ik onrecht heb gedaan aan het feit dat afspraken opgevolgd moeten worden (collegialiteit, veiligheid). Mogelijk ben ik hiermee niet integer.

In de waarde ‘samenwerkingsbereidheid’ heb ik v.w.b. het contact met de overige betrokkenen, wat dit item betreft, gefaald. Ik heb de afspraak niet opgevolgd en ben zelfstandig gaan handelen.

Uit het feit dat ik meega in de wens van de patiënt (flexibiliteit), kan worden opgemaakt dat ik vertrouwen in hem heb. Dit is niet generaliseerbaar en elke andere collega zal dan ook opnieuw moeten bekijken of dat vertrouwen er is. Heeft daarmee de patiënt ook meer vertrouwen in de verpleging? Dat valt te bezien. De patiënt kan ook het idee krijgen dat de verpleging onvoldoende interesse heeft in hem en daardoor belangrijke zaken in de begeleiding mist. 

Ondanks dat ik een risico’s heb genomen en overige betrokkenen niet heb geraadpleegd (autonomie), is het voor mij moreel juist geweest dat ik samen met hem naar de patio ben gegaan. Hiermee heb ik recht gedaan aan zijn autonomie en gehoor gegeven aan de samenwerkingsbereidheid. Hieruit blijkt mijn respect voor zijn ‘zijn’ als medemens en heb ik eer gedaan aan zijn wens hem te vertrouwen. Hieruit blijkt ook zijn respect voor mijn besluit: hij heeft geen misbruik van de situatie gemaakt. Hij was bereid tot samenwerken en liet mij zien dat ik hem kon vertrouwen. Het deed recht aan zijn autonomie en aan die van mij. 

Na de mooie vuurpijlen en de knallen zijn we rustig naar binnen gegaan, ging de deur weer op slot en begon het nieuwe jaar. Hij bedankte me en gaf me een hand. Een mooier cadeau kon ik me niet indenken en zal ik ook nooit meer vergeten.

Deze casus heb ik de volgende dag ingebracht en werd als ‘goed gehandeld’ gearchiveerd.

Fijne kerstdagen en alvast een bijzonder goed 2019. Een nieuw jaar met hopelijk voor iedereen een beetje meer vertrouwen in je medemens. Voor mij kan het alleen maar beter gaan.

Liefs, Elise