De Golf van Biskaje

 

 

 

Na de mooie trip langs de Engelse zuidkust vertrekken we vanuit Falmouth richting A Coruña.

De weergoden voorspellen een gunstige noord-oosten wind. Alleen de stroming zou beter kunnen, maar daar in het kanaal is het sowieso vaak worstelen met de stroming. Je moet ook goed het getij in de gaten houden. Tja.. en wanneer je een lange tocht voor de boeg hebt, zul je altijd een keer de stroming tegen hebben.
Eenmaal op zee valt het toch tegen. De zee is ruw met windkracht 5 tot 6 en op een gegeven moment hebben we inderdaad de stroming tegen. Dan draait ook nog eens de wind naar zuid-oost en lijken we compleet te worden weggeblazen. We strijken de zeilen en starten de motor. Isabella bonkt tegen de hoge golven in en lijkt moeite te hebben met de weerstand. Of zijn wij het die er moeite mee hebben? Ik in ieder geval wel. Alweer speelt die zeeziekte op en lig ik bij het vallen van de avond gammel en voor pampus op de bank. “Doe eens zo’n pleister achter je oor”, adviseert Hans. De cinnarizine tabletjes helpen immers niet. Van de huisarts hebben we een aantal anti-zeeziekte pleisters gekregen. Ik beloof er morgen eentje achter m’n oor te plakken en zet me schrap tegen de tafel, zodat ik niet van de bank afrol.
Het geworstel met de wisselende windrichtingen en de stroming die tegen zit, zijn we meer dan beu. “We gaan richting Frankrijk”, zegt Hans ergens midden in de nacht en verandert van koers. ‘sMorgens vroeg komen we aan in Aber Wrac’h. Een gehuchtje in Bretagne dat door flinke rotspartijen boven- en onder water voor de zee wordt beschermd. Het is dus uitkijken geblazen om de haven te kunnen bereiken

 

 

‘Zo snel mogelijk die lastige Golf van Biskaje over en dan zien we wel verder’, zegt Hans wanneer we de volgende dag in de kuip van Isabella de zeilroute nog eens doornemen. De Golf van Biskaje schijnt een missie op zich te zijn. Een gevaarlijke missie waarbij onverwachte stormen de kop opsteken. ‘Het spookt er’, hoor ik nog mijn 87-jarige moeder zeggen. Ze had het vroeger al op school geleerd. Ik zie in gedachten Isabella in de hoge golven verdwijnen en vraag me af of ze ook weer boven water komt. Hans oriënteert zich op eventuele problemen en bereidt Isabella zoveel mogelijk voor op averij, maar vraagt zich af of hij niet iets over het hoofd ziet. Zygrib voorspelt een N-NO wind van 15 knopen. Ook de stroming hebben we mee. Dat is gunstig en we verwachten na drie nachten A Coruña binnen te zullen lopen. “Oké, we gaan”, zegt Hans en geven elkaar een zoen. Ik weet dat hij dit stukje van de reis zou willen overslaan.

De Golf is spiegelglad wanneer het langzaam begint. Als deeg in een mixer worden we van 12 uur naar 9 uur geslingerd en daarvandaan weer terug naar 1 uur, 3 uur, 7 uur, terug naar het centrum, weer naar 5 uur, 10 uur en ga zo maar door. De vallen kletteren tegen de mast, hoewel ze toch stevig vastgebonden zijn. De vloer van de kajuit kraakt, serviesgoed rinkelt en we horen de blikken soep en chili con carne tegen de de deur van de kast bonken. We zitten aangelijnd in de kuip en houden ons scherp vast door onze voeten ergens tegenaan te klemmen. We stellen dorst en honger uit: er is geen beginnen aan om onder deze omstandigheden in de kombuis iets lekkers te versieren. Te gevaarlijk. Naar de wc gaan is al erg genoeg! Het is uitkijken geblazen wil je voorkomen dat je bruine wc-papiertje niet door de lucht vliegt. “Dit is nu die deining waar ze het altijd over hebben”, zegt Hans. “Dat is op de hele golf zo en ook op de oceaan, zeggen ze”, voegt hij er overtuigend aan toe. Waar komt die deining dan toch vandaan? We bedenken van alles, maar weten het niet.

 

 

De deining verdwijnt even snel als hij komt en de zee blijft rustig. De weinige wind zorgt er voor dat we de zeilen strijken en de motor moeten starten. De rest van de dag worden we gevolgd door een meeuw die gek genoeg geen brood lust.

Om 23uur zien we de lichten van andere schepen die ver weg lijken of toch dichtbij zijn. Gelukkig hebben we AIS (automatic identification system) die ons de juiste afstand van die lichten geeft en andere schepen ook ons kunnen spotten. We hebben alles onder controle en spreken af wie als eerste gaat slapen. Ik ben nog lekker fit! Komt vast van die pleister achter m’n oor! Niet zeeziek! Super goed spul! Hans kiest voor de bank en pakt de rode fleecedeken.

‘De geschiedenis herhaalt zich’, is een bekend gezegde, maar dat het zich zó snel herhaalt! Hans ligt nog geen vijf minuten op de bank en de motor kakt weer in en lijkt te zeggen: ‘Doe het zelf maar’. In no-time staat Hans naast me. ‘Wat is er gebeurd?’, roept hij. Ik vertel wat hij al weet. Zijn zorg stijgt. ‘Oké, grootzeil uitrollen!’, brult Hans. Ik volg zijn instructies op. Hans checkt alle mogelijke oorzaken en verwisselt het dieselfilter. De motor blijft dienst weigeren. 30NM uit de kust van Frankrijk en nog 320NM te gaan. Varen we door op de zeilen of gaan we terug? We besluiten om door te zeilen. ‘Een zeilschip is tenslotte om te zeilen en we gaan het ‘gewoon’ redden’, zeggen we tegen elkaar en kijken de donkere nacht in.

Het is een vreemde nacht en de wind valt weg. Gedachten dwalen soms af en toch blijven de oren gespitst op het AIS signaal. Zodra er een schip in de buurt komt melden we ons, zodat ze weten dat we op korte afstand varen en lastig of niet kunnen manoeuvreren en zij moeten uitwijken voor ons. Of we plaatsen een soort van spot op de AIS waar het andere schip zich bevindt. De AIS trekt dan een lijn naar Isabella en zo kunnen we beoordelen of we op ramkoers liggen. Het is niet anders.

In het aardedonker flitst er opeens iets wits voorbij. Ga ik spoken zien? De spoken van de Golf van Biskaje? En weer is daar die flits en nu heel dichtbij! Er komen meer flitsen. Het zijn witte vogels. Vliegen meeuwen ook snachts? Geen idee of het meeuwen zijn. Ik hoor ze niet. Ze fladderen voor de boeg en lijken met de Genua te spelen. Wat denken ze daar te vangen? Om zeker te weten dat ik niet hallucineer, pak ik mijn camera en maak foto’s. Dit zal me kunnen helpen om een diagnose te stellen. Zo snel als ze gekomen zijn, verdwijnen ze ook weer. Nog net op tijd heb ik een foto kunnen maken: ze waren er echt!

 

Het AIS signaal gaat af. Ik kijk op het navigatiesysteem en zie dat het een mega vrachtschip is van 295 ft lang: de Arklow Racer. Mijn hemel… als dat gevaarte maar uit de buurt blijft!! Hans kruipt van de bank en komt ook in de kuip zitten. Hij vindt geen rust daar op die bank, voelt zich voor 200% verantwoordelijk en kent mijn beperkingen wat zeilen betreft… Hans ziet het vrachtschip als een kans om uit deze benarde positie verlost te worden en roept de Arklow Racer op met de vraag of zij een monteur aan boord hebben. Dit is het geval en zijn bereid om ons te helpen. Het schip verlegt zijn koers. Maar eenmaal wat dichterbij, wat feitelijk voor ons pas een klein lichtje aan de horizon is, ziet de Arklow Racer dat we te klein zijn om hulp te bieden. Op zich wel vreemd, want dit had hij ook op zijn AIS kunnen zien. Hij is bang dat hij ons zal overvaren, omdat eenmaal dichtbij wij uit zijn zicht zullen verdwijnen. Te gevaarlijk dus en hij keert weer om. Onmiddellijk moet ik denken aan het liedje van ja-zuster-nee-zuster: Zwaaien met je onderbroek; zwaaien met je hemd; ojee hij-s-al-weer-weg; pech-pech-pech… We zullen het er mee moeten doen.
We checken de batterijen, waterpeil en proviand. Er is nog genoeg vers voer voor een dag of vier. Daarna zal de voorraad worden aangesproken. Water is geen probleem: indien nodig laten we de watermaker draaien. De batterijen is een ander verhaal. Ze staan laag. Door het grauwe weer en het feit dat we zeilen, krijgen de zonnepanelen onvoldoende zonlicht en produceren te weinig energie. De watermaker gebruiken is dus geen optie en om stroom te besparen besluiten we de waterpomp uit te zetten en de voetpomp te gebruiken als we water willen tappen. De vriezer en koelkast gaan uit. Ook zullen we spaarzaam met de verlichting moeten omgaan, zodat we voldoende energie overhouden voor de essentiële apparatuur: de navigatielichten en de communicatiemiddelen. Het wordt er niet leuker op en de spanning stijgt. We houden ook vooral elkaar goed in de gaten. Wie zei ook alweer dat er van alles kan gebeuren op zee? Tja…

 

 

44º39’.051N 007º38’.505W. De dag heeft de nacht achter de horizon geschoven. Vier dagen en nachten dobberen we nu over de Golf met zijn enorme deining die telkens wordt afgewisseld door een spiegelgladde zee. We drijven af naar een afgelegen gebied. Schepen in welke vorm dan ook, komen we al een tijd niet meer tegen. We zijn alleen. Stuurloos door geen wind en geen motor. Het is heiig en inderdaad ‘spookachtig’, maar er dreigt geen gevaar. Het lijkt alsof we in een andere wereld terechtgekomen zijn. Een wereld los van de aarde.
“Hé, ik zie wat!” zegt Hans opeens en ik denk direct aan een schip dat ons nadert. Maar nee, het blijkt een enorme school dolfijnen te zijn! Wel vijftig! Misschien we tachtig! Isabella begeeft zich midden tussen de spelende dolfijnen die rondjes om haar zwemmen en we duiken beide over de reling om vooral maar niets te missen van dit spektakel! Scheerlings langs stuurboord komen ze zij-aan-zij voorbij, springen boven het water uit en plonzen weer terug. “Zie je dat? Hij laat zijn buik zien!!”, roept Hans verrukt. En ik zie het. Wat een ervaring! Wat intens om zo dicht bij de natuur te kunnen zijn en dit contact met de dierenwereld te mogen hebben! En even snel als dat ze kwamen, zwemt de school verder. Ik fluit een paar keer in de hoop dat ze terug komen, maar nee. Ze hebben wel iets anders te doen. Ze lijken kleiner te worden en uiteindelijk zijn het nog kleine donkergrijze bultjes die beurtelings boven water komen en geleidelijk uit het zicht verdwijnen.

 

 

Plotseling horen we gesnuif en kijken naar de brede golf waar het geluid vandaan komt. Een grote zwarte vlek van minstens 15m lang met een vin bolt op uit de kalme deining en zakt traag weer weg. “Een walvis!!”, roep ik. Snel pak ik mijn camera. Dit moet worden vastgelegd!! De walvis komt opnieuw naar boven en snuift, bolt zijn rug, toont zijn vin en verdwijnt weer onder water. Even is hij uit het zicht. Wanneer hij weer bovenkomt is hij opeens een stuk dichterbij. We zien dat het er twee zijn. Ze zijn van een adembenemende schoonheid en we zijn ons bewust van dit zeldzaam mooie moment. De kalmte waarmee ze zich voortbewegen brengt zo’n enorme rust over, dat je je niet kunt voorstellen dat er nog iets belangrijkers op aarde is, dan alleen nog maar hier te zijn en hiervan te genieten. Voor altijd en altijd en altijd….
Op 20m afstand duiken ze in alle rust onder Isabella door om aan de andere kant weer naar boven te komen en gaan hun weg. Wat een traktatie van die Golf! Wat een geluk bij een ongeluk!
We zijn er stil van. Ik tuur over het water in de hoop nog een glimp van ze op te vangen. Ze zijn weg.
Het is weer etenstijd en ik ga naar beneden om eens te zien wat er nog in de voorraad ligt. Het wordt nasi. Iets pittigs kunnen we wel gebruiken. Bij het snijden van de groeten hoor ik een geluid wat niet bij Isabella hoort. De diesel- of watertank lijkt wel een vangnet van signalen. Het doet me denken aan een natuurfilm met geluidsopnames van de onderwaterwereld waar je walvissen hoort communiceren. Op verschillende hertz/frequentiegolven komen de signalen de kajuit van Isabella binnen. Hoe apart is dit?? Gebiologeerd blijf ik er naar luisteren en zou willen dat er een raam in de bodem van Isabella zou zitten, zodat ik even kon kijken.

We gaan de vijfde nacht in. Hoeveel nachten komen er nog? De ontmoeting met de walvissen zorgt er voor dat ik geen slaap heb. De beelden blijven op mijn netvlies staan en ik wil er van blijven genieten. Niet slapen en dan moeten zeggen “Gisteren hebben we…”, nee, gewoon wakker blijven en denken: “Vandaag hebben we…” Het moment vasthouden. Ja,… vooral dat.
Hans gaat op de bank liggen en ik blijf in de kuip. Aangelijnd, ook al is het water nu zo vlak en kalm. Ik tuur op de plotter om te zien of ik ergens een bootje ontdek, maar nee, we zijn alleen. De nacht is donker. Zo donker is hij nog nooit geweest! Geen maan en geen sterren. Helemaal niets dat licht geeft. Het spaarzame lichtje van de plotter verlicht amper de kuip. Alleen de reling is nog als een witte markeerlijn over het donkere asfalt te zien. Daarachter is het zo zwart als carbonpapier.
……PPUUUFFFFFFFfffffff…… gaat het zonder waarschuwing pal naast me. Ik schrik me het ongans!! Het is me direct duidelijk dat de walvis aan bakboord zwemt. Vrijwel direct weer ……PPUUUFFFFFFFfffffff…… maar dan aan stuurboord!!! Ze zijn hier!! Hier vlak naast ons en help: zometeen nog tegen ons!! Of zijn ze nieuwsgierig en moet ik genieten van dit uitzonderlijke moment?? Beneden in de kajuit is het stil. Zal ik Hans wakker maken of niet? Ik twijfel en weer hoor ik zo’n diepe zucht daar in dat carbonpapier. Ik zie niks, maar voel ze zo dichtbij! Isabella schommelt nog na en ik besluit om Hans te roepen.
“Hans…..Ha-ans!!”, roep ik niet al te hard.
“HUH??”, komt er uit de kajuit.
“Walvissen! Er zijn walvissen!!”.
“Ja, nou en?? Je gaat me toch niet wakker maken voor walvissen die we vanmiddag al hebben gezien??”, roept hij hees vanaf beneden. Ik hoor gestommel en Hans staat naast me.
“Maar ze zijn hier! Hier naast de boot!! Ik vind het nu wel eng worden hoor!”
Hans kijkt me aan. “Jij: nu naar beneden en daar blijven. Ik blijf hier zitten en je komt niet meer naar boven”. Hij is serieus.
Bij het zien van de bank ga ik liggen en wacht af. Luister naar de geluiden van de walvissen die door tank zo enorm worden versterkt. Ik val in een diepe slaap….

 

Zie hier en op de homepage filmpjes van de walvissen